Deze publicatie maakt gebruik van cookies

We gebruiken functionele en analytische cookies om onze website te verbeteren. Daarnaast plaatsen derde partijen tracking cookies om gepersonaliseerde advertenties op social media weer te geven. Door op accepteren te klikken gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.
Een onderwaterfoto van een sloot met rietvoorntjes

Hoe EBEOSYS van de radar verdween

en als EBEO een comeback maakte

STOWA startte begin jaren '90 een ambitieus en innovatief project: EBEOSYS, ofwel Ecologische Beoordelingssystemen. Onderzoekers van de Universiteit Wageningen kregen de opdracht om voor vijf veelvoorkomende watertypen een systematiek te ontwikkelen waarmee de ecologische kwaliteit mede kon worden beoordeeld op basis van de aanwezige planten en dieren en wat die vertellen over de kwaliteit van hun leefomgeving. Dit vormde een aanvulling op het monitoren van fysische en chemische eigenschappen. Het resultaat: een systematiek op een heuse floppy, een tiental rapporten en talloze publicaties in STOWA ter Info. Grote vraag: waarom verdween EBEOSYS van de radar, om bijna 25 jaar later in een ander jasje weer op te duiken als EBEO?

Oud-programmamanager Waterkwaliteit Bas van der Wal van STOWA kan zich nog levendig de tijd herinneren dat aquatische ecologie langzaamaan veranderde van een fremdkörper binnen de waterschappen naar een volwaardig onderdeel van het waterkwaliteitsbeheer. “Begin jaren negentig hadden we een vrij antropocentrische kijk op waterkwaliteit. Het moest schoon zijn, het moest bruikbaar zijn in de land- en (glas)tuinbouw, je moest erin kunnen zwemmen en er drinkwater van kunnen maken. Daarvoor keken we vooral naar chemische en fysische eigenschappen van het water: zuurstofgehalte, nutriënten, stroming en dergelijke. De intrinsieke natuurwaarde van water leefde nog niet zo erg, maar was wel in opkomst. We wisten dat we – om die in beeld te krijgen – moesten gaan kijken naar het waterleven zelf.” Er waren daarvoor her en der in het land al losse aanzetten gedaan, met instrumenten die ook al wel werden gebruikt door de waterschappen, aldus waterschapper Ronald Gylstra. Hij was destijds betrokken bij de ontwikkeling van BINORMA: één van de voorgangers van EBEOSYS. BINORMA is een biologische beoordeling voor genormaliseerde beken én ook een product uit de samenwerking tussen de STOWA en de Wageningen Universiteit. Ideeën uit de ontwikkeling en het gebruik van dit programma hebben volgens Gylstra mede de basis gelegd voor de ontwikkeling van EBEO.

Handen en voeten

Terwijl ze in Den Haag begonnen te zeggen dat de biologie nadrukkelijker bij de ecologische beoordeling moest worden betrokken, was er eigenlijk geen goede, uniforme standaardsystematiek om dat handen en voeten te geven. Gylstra: “Bas van der Wal van STOWA heeft bij het idee voor EBEOSYS goed gekeken naar alle snippertjes die er al waren. Die hebben we toen niet in de prullenbak gegooid. Er is echt gebruikgemaakt van de soortenkennis destijds.”

“Op enig moment dachten we bij STOWA: laten we op basis hiervan een uniforme systematiek ontwikkelen,” zegt Van der Wal. Dat idee kwam vooral uit Wageningen, waar onderzoekers Edwin Peeters en Jean Gardeniers de drijvende krachten waren. “Het moest een systematiek worden die niet alleen iets zei over de ecologische toestand, maar ons ook een antwoord kon geven op de vraag waarom die toestand is zoals die is. En daar gebruikten we de milieu- en habitatkenmerken van de flora en fauna voor die we in de watertypen aantroffen. Dat doen we nu weer, met de nieuwe systematiek EBEO, Ecologisch Begrip Oppervlaktewateren.”

Ingewikkeld

Volgens Van der Wal was de EBEOSYS-systematiek ‘tamelijk ingewikkeld’, maar ook ‘tamelijk succesvol’. De systematiek werd – in ieder geval door mensen met verstand van waterkwaliteitszaken – veel gebruikt, omdat het behalve een toestand ook inzicht gaf in de oorzaken van (het ontbreken van) de gewenste toestand. “Je moest er echt op studeren. Het was ook wat lastig uit te leggen aan het beleid wat je nou precies uitvrat en hoe je kwam tot bepaalde conclusies. En het was ook niet altijd eenduidig om een relatie te leggen tussen wat je aan organismen vond. Dus volmaakt was het zeker niet, maar het was wel de weg die we moesten gaan om meer grip te krijgen op de ecologische waterkwaliteit.”

Eenvoudig

Op 22 december 2000 trad de Europese Kaderrichtlijn Water in werking, een richtlijn waar Nederland zelf flink voor had gelobbyd. Als Deltaland voelden we ons vaak het afvoerputje van Europa; de KRW moest daar verandering in brengen. Het doel – een goede ecologische toestand passend bij uiteenlopende watertypen – was helder. Maar de vertaling naar concrete doelen en maatregelen was dat zeker niet. In de STOWA ter Info schreven we pagina’s vol om uit te leggen wat de richtlijn inhield, hoe STOWA namens het ministerie van IenW werkte aan de implementatie via de ontwikkeling van een systematiek en wat allerlei geïntroduceerde termen en begrippen als MEP’s en GEP’s, EKR-scores en maatlatten precies betekenden.

Overboord

Ronald Gylstra was destijds kritisch op de manier waarop we in Nederland met de implementatie van de KRW aan de slag gingen: “Eigenlijk gooiden we met de implementatie van de KRW het diagnostische deel van EBEOSYS overboord. Het ging vooral om de toestandsbepaling van watertypen. Daarvoor werd het waterleven geturfd. We keken naar verscheidenheid en abundantie van soorten voor de vier bekende kwaliteitselementen (de KRW-maatlatten red.): vissen, waterplanten, macrofauna en algen. De centrale vraag was: welk waterleven hoort er in een watertype en zit dat er ook? En dan ging je gewoon turven en kijken of je er een beetje bij in de buurt kwam. We deden eigenlijk niets meer met de kennis over wat die waterorganismen nou precies zeiden. Die speelde geen rol meer in de beoordeling.”

Keurigste jongetje

Er was volgens Van der Wal en Gylstra aanvankelijk nog wel een flinke discussie over de vraag of Nederland voor de implementatie gebruik kon maken van opgefriste en aangepaste EBEOSYS-systematiek. Van der Wal: “EBEOSYS was in de termen van de KRW niet compleet. Er zaten gaten in, er waren bepaalde elementen die we niet monitorden en er waren andere onderdelen die we niet precies volgens de systematiek van de KRW indeelden in watertypen.” Gylstra voegt eraan toe: “Uiteindelijk heeft men in Den Haag de knoop doorgehakt. Het werd een nieuwe systematiek. Maar daarbij ging de diagnostiek verloren.” De strikte implementatie had volgens Van der Wal veel te maken met het feit dat we in Nederland, waar we zo gelobbyd hadden voor de KRW, diezelfde KRW volgens de letter wilden interpreteren. “We waren toch heel bang dat we met een aanpassing van EBEOSYS iets gingen doen waarvoor we op de vingers zouden worden getikt door Brussel. Ofwel: we maken iets nieuws en gaan precies doen wat we denken dat gevraagd wordt. We waren destijds in ieder geval het keurigste jongetje van de klas.”

Met de nieuwe systematiek EBEO, een uitbreiding en aanvulling op de huidige KRW-systematiek, is de diagnose na 25 jaar weer terug. Wat is daarvan volgens Van der Wal de reden? “Aanvankelijk dachten we met elkaar: we gaan de doelen – die we nota bene zelf hadden gesteld – wel halen. STOWA ging de effectiviteit van maatregelen onderzoeken die waterbeheerders konden nemen ter verbetering van de waterkwaliteit (in het kennisprogramma Watermozaïek, red.). Zij begonnen met het nemen van maatregelen, vooral die uit hun eigen magazijn: vistrappen en natuurvriendelijke oevers aanleggen, beken laten hermeanderen en dergelijke. De gedachte was eerst: daarmee komt het wel goed. Maar tot dusver is het niet goedgekomen. En zonder goede diagnose weet je niet wat de maatregelen zijn die je wel bij het doel brengen.” Met de nieuwe systematiek kun je volgens hem objectief de vinger op de zere plek leggen en laten zien waar de schoen nu precies wringt. “Bij ons als waterschappen, of bij andere partijen. Er zijn dingen die buiten de macht van de waterschappen liggen, maar die wel moeten gebeuren om echt de KRW-doelen te halen. Denk aan een aanscherping van het mest- en gewasbeschermingsmiddelenbeleid. Daarvoor zijn anderen aan zet.”

Oude wijn?

In welk opzicht is de huidige EBEO nou nieuw? Of is het vooral hele oude wijn in nieuwe zakken? Volgens Van der Wal hebben we wel degelijk veel geleerd van de kennis en ervaringen die we de afgelopen 25 jaar hebben opgedaan. “We hebben dankzij de KRW, omdat het voorgeschreven was, heel Nederland zo ongeveer lek gemeten. Dus we hebben waanzinnig veel data. En we hebben in de loop van de tijd veel nieuwe wetenschappelijke kennis opgebouwd. Die waanzinnige hoeveelheid data en de nieuw opgedane kennis stelden de onderzoekers van WEnR in staat om EBEO te ontwikkelen. Gea van der Lee, Jip de Vries en Ralf Verdonschot van de WUR hebben heel goed werk geleverd en zijn in staat gebleken om de verspreide informatie te ontsluiten en heel praktisch toepasbaar te maken binnen EBEO.”

Gylstra beaamt dat: “De KRW heeft ervoor gezorgd dat we heel veel en veel beter zijn gaan meten. Daardoor hebben we echt veel goede data. Ik zal niet zeggen dat we de beste dataset van Europa hebben. Maar we zitten wel bovenin ergens. (lacht) Beste dataset, slechtste waterkwaliteit… Deze casus zegt in mijn ogen ook iets over de vraag hoe die kennis in de watersector wordt vastgehouden. Of verloren gaat. Je kunt er heel positief naar kijken en denken: we hebben bij de ontwikkeling van EBEO naar het verleden gekeken. En het goede weer opgepakt. Je kunt het ook negatief bekijken en zeggen: we hebben de kennis veel te lang op de plank laten liggen. Nou vooruit: we hebben nog op alle planken gekeken. We hebben de goede dingen er weer van afgehaald. Bas van der Wal heeft aan het einde van zijn loopbaan zijn nek uitgestoken om dit te doen.”

Tot slot. Gylstra is heel blij dat de diagnostische kennis met EBEO weer een belangrijke rol speelt bij het verbeteren van de waterkwaliteit. Via de koppeling met de KRW-verkenner kunnen bovendien goede prognoses worden gemaakt van het effect van maatregelen op die waterkwaliteit. Wel maakt hij zich zorgen over de toekomstbestendigheid. “Ik hoop dat er jaarlijks of tweejaarlijks updates komen met de laatste kennis. Het raamwerk moet blijven staan, maar wel steeds worden opgefrist met de laatste kennis. De uitdaging is vooral hoe je dat blijvend organiseert.” 

Edwin Peeters:

Niet halen doelen geen kennishiaat, maar gebrek aan politieke wil

Edwin Peeters heeft als docent/onderzoeker aan de Universiteit van Wageningen zijn sporen verdiend in de aquatische ecologie. Begin jaren negentig van de vorige eeuw kregen Jean Gardeniers en hij van STOWA de opdracht om samen met enkele collega’s een uniforme ecologische beoordelingssystematiek te ontwikkelen voor uiteenlopende watertypen. Daarbij stond centraal welk waterleven in uiteenlopende watertypen werd aangetroffen en wat dat vertelde over de ecologische kwaliteit.

Met de komst van de KRW verdween EBEOSYS uit beeld. Jammer, vindt hij meer dan dertig jaar later: “Ik denk dat de STOWA destijds een kans heeft laten liggen. Zij hadden zich bij het verantwoordelijke ministerie beter moeten profileren met de mededeling: wij hebben al een veelbelovend ecologisch beoordelingssysteem dat we kunnen aanpassen aan de vereisten van de nieuwe richtlijn. Als we de kans hadden gekregen EBEOSYS door te ontwikkelen en KRW-proof hadden gemaakt, hadden we een systematiek gehad waarin al van meet af aan de diagnose zat. Ik denk dat we daarmee een voorsprong hadden gehad, en eerder hadden kunnen beginnen met het bedenken en uitvoeren van effectieve maatregelen. En ik denk dat we onze tijd iets te ver vooruit waren. Er kwamen andere uitkomsten uit dan waterschappers gewend waren. Die wilden één getal als uitkomst. De systematiek gaf resultaten voor meerdere stressoren. Dat vonden ze lastig.”

In de EBEOS-systematiek werd gekeken naar de aanwezige flora en fauna, maar ging het niet eens zozeer om de soorten zelf, aldus Peeters. “Soorten komen en gaan, zoals iedere ecoloog weet. Het gaat er vooral om wat die soorten doen en nodig hebben. De identiteit van de soort is minder relevant. Zolang er bijvoorbeeld in een bepaald type beek maar typische stromendwatersoorten zitten. Welke dat precies zijn, is dus veel minder belangrijk. Maar ja (lacht), we zijn toch soortenjagers. In de KRW-systematiek gaat het juist heel erg om specifieke soorten die bij een bepaald watertype horen. Bij de KRW-systematiek om de toestand te bepalen, in de huidige EBEO-systematiek ook voor de diagnose. Met die nadruk op soorten doe je de toestandsbepaling en diagnose in mijn ogen nog altijd tekort.”

Ondanks de kritiek, ook op de nieuwe EBEO, is Peeters blij dat de diagnose weer een plek heeft in de ecologische beoordeling. “Ik denk dat we er ontzettend veel van kunnen leren. En dat is nog steeds hard nodig om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Tegelijkertijd denk ik dat we in de meeste gevallen best weten waarom we de doelen niet halen. Je kunt als waterschap nog duizenden kilometers natuurvriendelijke oevers aanleggen. (kritisch) Maar het wordt niet beter in Nederland, zolang je niets doet aan de echte oorzaken. En zolang de waterschappen niet echt hun verantwoordelijkheid nemen. Het feit dat we er nog niet zijn, is geen kennishiaat. Het is een gebrek aan politieke wil.”

Artikel in het kort

  • In het begin van de jaren negentig liet STOWA een innovatieve ecologische beoordelingssystematiek ontwikkelen. Daarmee kon niet alleen de ecologische toestand worden bepaald, maar ook worden vastgesteld waarom de waterkwaliteit was zoals die was.

  • Met de komst van de KRW verdween EBEOSYS. De nieuwe systematiek richtte zich vooral op de toestand van het water; de diagnostische informatie uit het voorkomen van soorten raakte op de achtergrond.

  • De afgelopen jaren liet STOWA met EBEO een systematiek ontwikkelen waarin die diagnostische kennis opnieuw een centrale plaats krijgt. Volgens oud-programmamanager Bas van der Wal is die diagnose nodig om te bepalen welke maatregelen werkelijk nodig zijn om de KRW-doelen dichterbij te brengen.

Nooit meer iets missen? Meld je dan aan voor de notificatie van ons digitale magazine via www.stowa.nl/aanmeldenmagazine  

Een onderwaterfoto van een sloot met rietvoorntjes

Hoe EBEOSYS van de radar verdween

en als EBEO een comeback maakte

STOWA startte begin jaren '90 een ambitieus en innovatief project: EBEOSYS, ofwel Ecologische Beoordelingssystemen. Onderzoekers van de Universiteit Wageningen kregen de opdracht om voor vijf veelvoorkomende watertypen een systematiek te ontwikkelen waarmee de ecologische kwaliteit mede kon worden beoordeeld op basis van de aanwezige planten en dieren en wat die vertellen over de kwaliteit van hun leefomgeving. Dit vormde een aanvulling op het monitoren van fysische en chemische eigenschappen. Het resultaat: een systematiek op een heuse floppy, een tiental rapporten en talloze publicaties in STOWA ter Info. Grote vraag: waarom verdween EBEOSYS van de radar, om bijna 25 jaar later in een ander jasje weer op te duiken als EBEO?

Oud-programmamanager Waterkwaliteit Bas van der Wal van STOWA kan zich nog levendig de tijd herinneren dat aquatische ecologie langzaamaan veranderde van een fremdkörper binnen de waterschappen naar een volwaardig onderdeel van het waterkwaliteitsbeheer. “Begin jaren negentig hadden we een vrij antropocentrische kijk op waterkwaliteit. Het moest schoon zijn, het moest bruikbaar zijn in de land- en (glas)tuinbouw, je moest erin kunnen zwemmen en er drinkwater van kunnen maken. Daarvoor keken we vooral naar chemische en fysische eigenschappen van het water: zuurstofgehalte, nutriënten, stroming en dergelijke. De intrinsieke natuurwaarde van water leefde nog niet zo erg, maar was wel in opkomst. We wisten dat we – om die in beeld te krijgen – moesten gaan kijken naar het waterleven zelf.” Er waren daarvoor her en der in het land al losse aanzetten gedaan, met instrumenten die ook al wel werden gebruikt door de waterschappen, aldus waterschapper Ronald Gylstra. Hij was destijds betrokken bij de ontwikkeling van BINORMA: één van de voorgangers van EBEOSYS. BINORMA is een biologische beoordeling voor genormaliseerde beken én ook een product uit de samenwerking tussen de STOWA en de Wageningen Universiteit. Ideeën uit de ontwikkeling en het gebruik van dit programma hebben volgens Gylstra mede de basis gelegd voor de ontwikkeling van EBEO.

Handen en voeten

Terwijl ze in Den Haag begonnen te zeggen dat de biologie nadrukkelijker bij de ecologische beoordeling moest worden betrokken, was er eigenlijk geen goede, uniforme standaardsystematiek om dat handen en voeten te geven. Gylstra: “Bas van der Wal van STOWA heeft bij het idee voor EBEOSYS goed gekeken naar alle snippertjes die er al waren. Die hebben we toen niet in de prullenbak gegooid. Er is echt gebruikgemaakt van de soortenkennis destijds.”

“Op enig moment dachten we bij STOWA: laten we op basis hiervan een uniforme systematiek ontwikkelen,” zegt Van der Wal. Dat idee kwam vooral uit Wageningen, waar onderzoekers Edwin Peeters en Jean Gardeniers de drijvende krachten waren. “Het moest een systematiek worden die niet alleen iets zei over de ecologische toestand, maar ons ook een antwoord kon geven op de vraag waarom die toestand is zoals die is. En daar gebruikten we de milieu- en habitatkenmerken van de flora en fauna voor die we in de watertypen aantroffen. Dat doen we nu weer, met de nieuwe systematiek EBEO, Ecologisch Begrip Oppervlaktewateren.”

Ingewikkeld

Volgens Van der Wal was de EBEOSYS-systematiek ‘tamelijk ingewikkeld’, maar ook ‘tamelijk succesvol’. De systematiek werd – in ieder geval door mensen met verstand van waterkwaliteitszaken – veel gebruikt, omdat het behalve een toestand ook inzicht gaf in de oorzaken van (het ontbreken van) de gewenste toestand. “Je moest er echt op studeren. Het was ook wat lastig uit te leggen aan het beleid wat je nou precies uitvrat en hoe je kwam tot bepaalde conclusies. En het was ook niet altijd eenduidig om een relatie te leggen tussen wat je aan organismen vond. Dus volmaakt was het zeker niet, maar het was wel de weg die we moesten gaan om meer grip te krijgen op de ecologische waterkwaliteit.”

Eenvoudig

Op 22 december 2000 trad de Europese Kaderrichtlijn Water in werking, een richtlijn waar Nederland zelf flink voor had gelobbyd. Als Deltaland voelden we ons vaak het afvoerputje van Europa; de KRW moest daar verandering in brengen. Het doel – een goede ecologische toestand passend bij uiteenlopende watertypen – was helder. Maar de vertaling naar concrete doelen en maatregelen was dat zeker niet. In de STOWA ter Info schreven we pagina’s vol om uit te leggen wat de richtlijn inhield, hoe STOWA namens het ministerie van IenW werkte aan de implementatie via de ontwikkeling van een systematiek en wat allerlei geïntroduceerde termen en begrippen als MEP’s en GEP’s, EKR-scores en maatlatten precies betekenden.

Overboord

Ronald Gylstra was destijds kritisch op de manier waarop we in Nederland met de implementatie van de KRW aan de slag gingen: “Eigenlijk gooiden we met de implementatie van de KRW het diagnostische deel van EBEOSYS overboord. Het ging vooral om de toestandsbepaling van watertypen. Daarvoor werd het waterleven geturfd. We keken naar verscheidenheid en abundantie van soorten voor de vier bekende kwaliteitselementen (de KRW-maatlatten red.): vissen, waterplanten, macrofauna en algen. De centrale vraag was: welk waterleven hoort er in een watertype en zit dat er ook? En dan ging je gewoon turven en kijken of je er een beetje bij in de buurt kwam. We deden eigenlijk niets meer met de kennis over wat die waterorganismen nou precies zeiden. Die speelde geen rol meer in de beoordeling.”

Keurigste jongetje

Er was volgens Van der Wal en Gylstra aanvankelijk nog wel een flinke discussie over de vraag of Nederland voor de implementatie gebruik kon maken van opgefriste en aangepaste EBEOSYS-systematiek. Van der Wal: “EBEOSYS was in de termen van de KRW niet compleet. Er zaten gaten in, er waren bepaalde elementen die we niet monitorden en er waren andere onderdelen die we niet precies volgens de systematiek van de KRW indeelden in watertypen.” Gylstra voegt eraan toe: “Uiteindelijk heeft men in Den Haag de knoop doorgehakt. Het werd een nieuwe systematiek. Maar daarbij ging de diagnostiek verloren.” De strikte implementatie had volgens Van der Wal veel te maken met het feit dat we in Nederland, waar we zo gelobbyd hadden voor de KRW, diezelfde KRW volgens de letter wilden interpreteren. “We waren toch heel bang dat we met een aanpassing van EBEOSYS iets gingen doen waarvoor we op de vingers zouden worden getikt door Brussel. Ofwel: we maken iets nieuws en gaan precies doen wat we denken dat gevraagd wordt. We waren destijds in ieder geval het keurigste jongetje van de klas.”

Met de nieuwe systematiek EBEO, een uitbreiding en aanvulling op de huidige KRW-systematiek, is de diagnose na 25 jaar weer terug. Wat is daarvan volgens Van der Wal de reden? “Aanvankelijk dachten we met elkaar: we gaan de doelen – die we nota bene zelf hadden gesteld – wel halen. STOWA ging de effectiviteit van maatregelen onderzoeken die waterbeheerders konden nemen ter verbetering van de waterkwaliteit (in het kennisprogramma Watermozaïek, red.). Zij begonnen met het nemen van maatregelen, vooral die uit hun eigen magazijn: vistrappen en natuurvriendelijke oevers aanleggen, beken laten hermeanderen en dergelijke. De gedachte was eerst: daarmee komt het wel goed. Maar tot dusver is het niet goedgekomen. En zonder goede diagnose weet je niet wat de maatregelen zijn die je wel bij het doel brengen.” Met de nieuwe systematiek kun je volgens hem objectief de vinger op de zere plek leggen en laten zien waar de schoen nu precies wringt. “Bij ons als waterschappen, of bij andere partijen. Er zijn dingen die buiten de macht van de waterschappen liggen, maar die wel moeten gebeuren om echt de KRW-doelen te halen. Denk aan een aanscherping van het mest- en gewasbeschermingsmiddelenbeleid. Daarvoor zijn anderen aan zet.”

Oude wijn?

In welk opzicht is de huidige EBEO nou nieuw? Of is het vooral hele oude wijn in nieuwe zakken? Volgens Van der Wal hebben we wel degelijk veel geleerd van de kennis en ervaringen die we de afgelopen 25 jaar hebben opgedaan. “We hebben dankzij de KRW, omdat het voorgeschreven was, heel Nederland zo ongeveer lek gemeten. Dus we hebben waanzinnig veel data. En we hebben in de loop van de tijd veel nieuwe wetenschappelijke kennis opgebouwd. Die waanzinnige hoeveelheid data en de nieuw opgedane kennis stelden de onderzoekers van WEnR in staat om EBEO te ontwikkelen. Gea van der Lee, Jip de Vries en Ralf Verdonschot van de WUR hebben heel goed werk geleverd en zijn in staat gebleken om de verspreide informatie te ontsluiten en heel praktisch toepasbaar te maken binnen EBEO.”

Gylstra beaamt dat: “De KRW heeft ervoor gezorgd dat we heel veel en veel beter zijn gaan meten. Daardoor hebben we echt veel goede data. Ik zal niet zeggen dat we de beste dataset van Europa hebben. Maar we zitten wel bovenin ergens. (lacht) Beste dataset, slechtste waterkwaliteit… Deze casus zegt in mijn ogen ook iets over de vraag hoe die kennis in de watersector wordt vastgehouden. Of verloren gaat. Je kunt er heel positief naar kijken en denken: we hebben bij de ontwikkeling van EBEO naar het verleden gekeken. En het goede weer opgepakt. Je kunt het ook negatief bekijken en zeggen: we hebben de kennis veel te lang op de plank laten liggen. Nou vooruit: we hebben nog op alle planken gekeken. We hebben de goede dingen er weer van afgehaald. Bas van der Wal heeft aan het einde van zijn loopbaan zijn nek uitgestoken om dit te doen.”

Tot slot. Gylstra is heel blij dat de diagnostische kennis met EBEO weer een belangrijke rol speelt bij het verbeteren van de waterkwaliteit. Via de koppeling met de KRW-verkenner kunnen bovendien goede prognoses worden gemaakt van het effect van maatregelen op die waterkwaliteit. Wel maakt hij zich zorgen over de toekomstbestendigheid. “Ik hoop dat er jaarlijks of tweejaarlijks updates komen met de laatste kennis. Het raamwerk moet blijven staan, maar wel steeds worden opgefrist met de laatste kennis. De uitdaging is vooral hoe je dat blijvend organiseert.” 

Edwin Peeters:

Niet halen doelen geen kennishiaat, maar gebrek aan politieke wil

Edwin Peeters heeft als docent/onderzoeker aan de Universiteit van Wageningen zijn sporen verdiend in de aquatische ecologie. Begin jaren negentig van de vorige eeuw kregen Jean Gardeniers en hij van STOWA de opdracht om samen met enkele collega’s een uniforme ecologische beoordelingssystematiek te ontwikkelen voor uiteenlopende watertypen. Daarbij stond centraal welk waterleven in uiteenlopende watertypen werd aangetroffen en wat dat vertelde over de ecologische kwaliteit.

Met de komst van de KRW verdween EBEOSYS uit beeld. Jammer, vindt hij meer dan dertig jaar later: “Ik denk dat de STOWA destijds een kans heeft laten liggen. Zij hadden zich bij het verantwoordelijke ministerie beter moeten profileren met de mededeling: wij hebben al een veelbelovend ecologisch beoordelingssysteem dat we kunnen aanpassen aan de vereisten van de nieuwe richtlijn. Als we de kans hadden gekregen EBEOSYS door te ontwikkelen en KRW-proof hadden gemaakt, hadden we een systematiek gehad waarin al van meet af aan de diagnose zat. Ik denk dat we daarmee een voorsprong hadden gehad, en eerder hadden kunnen beginnen met het bedenken en uitvoeren van effectieve maatregelen. En ik denk dat we onze tijd iets te ver vooruit waren. Er kwamen andere uitkomsten uit dan waterschappers gewend waren. Die wilden één getal als uitkomst. De systematiek gaf resultaten voor meerdere stressoren. Dat vonden ze lastig.”

In de EBEOS-systematiek werd gekeken naar de aanwezige flora en fauna, maar ging het niet eens zozeer om de soorten zelf, aldus Peeters. “Soorten komen en gaan, zoals iedere ecoloog weet. Het gaat er vooral om wat die soorten doen en nodig hebben. De identiteit van de soort is minder relevant. Zolang er bijvoorbeeld in een bepaald type beek maar typische stromendwatersoorten zitten. Welke dat precies zijn, is dus veel minder belangrijk. Maar ja (lacht), we zijn toch soortenjagers. In de KRW-systematiek gaat het juist heel erg om specifieke soorten die bij een bepaald watertype horen. Bij de KRW-systematiek om de toestand te bepalen, in de huidige EBEO-systematiek ook voor de diagnose. Met die nadruk op soorten doe je de toestandsbepaling en diagnose in mijn ogen nog altijd tekort.”

Ondanks de kritiek, ook op de nieuwe EBEO, is Peeters blij dat de diagnose weer een plek heeft in de ecologische beoordeling. “Ik denk dat we er ontzettend veel van kunnen leren. En dat is nog steeds hard nodig om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Tegelijkertijd denk ik dat we in de meeste gevallen best weten waarom we de doelen niet halen. Je kunt als waterschap nog duizenden kilometers natuurvriendelijke oevers aanleggen. (kritisch) Maar het wordt niet beter in Nederland, zolang je niets doet aan de echte oorzaken. En zolang de waterschappen niet echt hun verantwoordelijkheid nemen. Het feit dat we er nog niet zijn, is geen kennishiaat. Het is een gebrek aan politieke wil.”

Meer weten?

Ga naar www.stowa.nl/ebeo voor meer informatie oever de nieuwe ecologische beoordelingssystematiek

Bekijk het overzicht met alle verschenen publicaties over EBEOSYS 

Artikel in het kort

  • In het begin van de jaren negentig liet STOWA een innovatieve ecologische beoordelingssystematiek ontwikkelen. Daarmee kon niet alleen de ecologische toestand worden bepaald, maar ook worden vastgesteld waarom de waterkwaliteit was zoals die was.

  • Met de komst van de KRW verdween EBEOSYS. De nieuwe systematiek richtte zich vooral op de toestand van het water; de diagnostische informatie uit het voorkomen van soorten raakte op de achtergrond.

  • De afgelopen jaren liet STOWA met EBEO een systematiek ontwikkelen waarin die diagnostische kennis opnieuw een centrale plaats krijgt. Volgens oud-programmamanager Bas van der Wal is die diagnose nodig om te bepalen welke maatregelen werkelijk nodig zijn om de KRW-doelen dichterbij te brengen.

Nooit meer iets missen? Meld je dan aan voor de notificatie van ons digitale magazine via www.stowa.nl/aanmeldenmagazine  

STOWA Publicaties

Hier vindt u de digitale uitgaven van STOWA waaronder het digitale magazine Ter Info.
Volledig scherm