Wat dacht u toen?
In 100 uitgaven STOWA ter Info stonden af en toe opvallende uitspraken van geïnterviewden. De redactie vroeg aan enkelen van hen nog eens terug te blikken op wat ze destijds zeiden. Belangrijkste vraag: staat u er nog steeds achter?
Hoogwaterdeskundige Frans Klijn in STOWA ter Info 52, april 2012:
“Vanuit het idee van slachtofferreductie is een doorbraakvrije dijk een veel betere optie. Dan zullen we overigens wel af moeten van onze preoccupatie met het idee dat we nooit wateroverlast willen hebben.”
Download het originele artikel als PDF
Doorbraakvrije dijk hoort in gereedschapskist overstromingsrisicobeheersing
Frans Klijn staat twaalf jaar later nog steeds voor 100 procent achter de doorbraakvrije dijk. Ten tijde van bovenstaande uitspraak (2012) werkte Klijn als hoogwaterdeskundige bij Deltares en kort daarna zou hij ook hoogleraar worden aan de TU Delft. Sinds een jaar is Klijn met pensioen, maar hij is nog onverminderd voorvechter voor doorbraakvrije dijken.
“De doorbraakvrije dijk is één van de dingen die volgens mij nog omarmd zou moeten worden. Naast compartimentering zou de doorbraakvrije dijk een vast onderdeel in de gereedschapskist voor overstromingsrisicobeheersing moeten zijn. Uit een verkenning voor het Kromme-Rijngebied is in 2014 gebleken dat een stuk van zeven kilometer doorbraakvrije, lagere dijk veel minder slachtoffers en schade oplevert. Omdat het water dan langzaam en gedurende kortere tijd het gebied in stroomt, is er voldoende tijd om weg te komen en het water wordt slechts kniediep. Er zijn in Nederland wel doorbraakvrije dijken, maar die zijn min of meer per toeval ontstaan. Denk aan De Staart in Dordrecht. Op zo’n brede dijk kun je gewoon bouwen. Het is jammer dat het principe van de doorbraakvrije dijk nog niet is omarmd en dat dit type dijk daarom niet wordt overwogen als er een waterkering wordt ontworpen.
De doorbraakvrije dijk raakte uit beeld toen het oude stelsel voor hoogwaterbeschermingsnormen op de schop ging. Deels prima, waar dat tot normdifferentiatie heeft geleid. Maar waar de risicobenadering ontaardde in faalkansboekhouding, met bijvoorbeeld ‘ruimte’ voor ‘piping’ of graverij van bevers, is kosteneffectiviteit leidend geworden. En moeten we accepteren dat de standzekerheid van voldoende hoge dijken niet is gegarandeerd. Bij een doorbraakvrije dijk is de kans op doorbreken nihil. Hij kan wel overlopen en wateroverlast veroorzaken. Maar bij een dijk die doorbreekt, stroomt het water snel naar binnen en zijn de gevolgen veel groter. Dan kunnen er doden vallen. Bij een doorbraakvrije dijk stroomt het water langzaam over de dijk en kun je nog weg.
Er wordt vaak gedacht dat een doorbraakvrije dijk een dure oplossing is, maar dat hoeft niet zo te zijn. Want een doorbraakvrije dijk mag lager zijn, omdat er slechts wateroverlast ontstaat. Naar mijn mening moeten we stoppen met het optimaliseren naar kosteneffectiviteit en principiëlere keuzes maken. En dat is het voorkomen van grote aantallen slachtoffers door overstromingen.”
Lambert Verheijen, voormalig dijkgraaf Waterschap Aa en Maas, in STOWA ter Info Special Kaderrichtlijn Water, 2005:
“De KRW is bestuurlijk veel te laat opgepakt. Nu schrikken we van de vraag of alles wel haalbaar en betaalbaar is. En is het zoeken geblazen naar de beleidsruimte die er nog is.”
Download het originele artikel als PDF
‘Zonder centrale regie blijven we zoeken naar beleidsruimte’
Lambert Verheijen waarschuwde al in 2005 in STOWA ter Info dat de Kaderrichtlijn Water bestuurlijk veel te laat was opgepakt. Ruim twintig jaar later voelt hij zich in die waarschuwing bevestigd.
“Er was destijds, net als nu, te weinig bestuurlijke urgentie. De aandacht in de Tweede Kamer en het kabinet ging vooral uit naar waterveiligheid en overstromingsgevaar. Daar is veel bereikt, zoals de benoeming van de eerste Deltacommissaris Wim Kuijken in 2009 en de invoering van de Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening in 2012. De waterkwaliteit raakte echter op de achtergrond. Ook daarna ontbrak het aan voldoende centrale regie, uitvoering en toetsing, zoals bleek uit het rapport van de Raad voor de Leefomgeving uit 2023, waaraan ik heb bijgedragen.
Achteraf heb ik me erover verbaasd dat het ministerie van IenW bij de planvorming nooit toetste of onze stroomgebiedbeheerplannen en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsprojecten voldoende waren om in 2027 aan de eisen van de KRW te voldoen. Het Rijk is eindverantwoordelijk en moet beoordelen of het gezamenlijke resultaat van alle partijen voldoende is, en borgen dat de doelen worden gehaald.
Regie vanuit Den Haag onmisbaar
Ook hardnekkige problemen zijn te lang vooruitgeschoven. In 2005 waarschuwde ik al voor de grote hoeveelheden meststoffen in de Brabantse bodem, waarvan de uitspoeling nog tientallen jaren kan doorgaan. Ook de internationale afstemming kwam onvoldoende van de grond. Belgische en Duitse partijen kijken voor formele afspraken naar de nationale overheid. Actieve regie vanuit Den Haag is daarom onmisbaar.
Toch heeft de KRW veel in beweging gezet. Zonder de Europese richtlijn was er in Nederland waarschijnlijk veel minder gebeurd. Tegelijkertijd dienen zich nieuwe problemen aan, zoals PFAS, medicijnresten en indirecte lozingen. Om die aan te pakken, zijn voldoende kennis, capaciteit en financiële middelen nodig.
STOWA heeft een belangrijke rol gespeeld bij de praktische uitwerking van de KRW. Er is een stevige kennisbasis opgebouwd over watersystemen, maatlatten en de factoren die de waterkwaliteit bepalen. Maar kennis alleen volstaat niet. De belangrijkste les voor na 2027 is dat iemand verantwoordelijk moet zijn voor de samenhang, de voortgang moet bewaken en moet ingrijpen als maatregelen achterblijven. Zonder centrale regie blijven we zoeken naar beleidsruimte, terwijl de volgende waterkwaliteitsproblemen zich alweer aandienen.”
Universitair hoofddocent regionaal water- en klimaatbeheer aan UU Dries Hegger in STOWA ter Info 34 (2007):
“Hoe beter je kunt inspelen op de door gebruikers genoemde voordelen, hoe meer kans van slagen nieuwe sanitatie maakt.”
Download het originele artikel als PDF
Je moet technologische innovatie nooit loszien van de sociale context
STOWA ter Info 34 (2007) stond geheel in het teken van nieuwe of decentrale sanitatie, destijds een veelbesproken onderwerp. Bij deze vorm van sanitatie worden grijs- en zwartwaterstromen vaak gescheiden om daarna lokaal te worden behandeld. Dries Hegger interviewde destijds de bewoners van 32 nieuwbouwwoningen in Sneek, waar waterbesparende vacuümtoiletten waren geïnstalleerd en het afvalwater in de wijk zelf werd behandeld. Zijn conclusie: “Hoe beter je kunt inspelen op de door gebruikers genoemde voordelen, hoe meer kans van slagen nieuwe sanitatie maakt.”
“De interviews destijds maakten onderdeel uit van mijn promotieonderzoek. Het projectteam was erg gericht op zijn ervaringen met die toiletten. Maar voor bewoners was het bijvangst; ze waren vooral erg blij met een nieuwe woning. Iemand zei zelfs: ‘Ach, ze moeten toch ergens experimenteren’. Het heeft mij geleerd dat je een technologische innovatie nooit los moet zien van de sociale context; en dat je altijd de uiteenlopende perspectieven van belanghebbenden moet kennen, en dan niet van horen zeggen: gebruikers, bewoners, woningcorporaties, waterschappen en dergelijke. Dat gebeurt tegenwoordig zeker, maar in die tijd was het nog relatief nieuw, en gingen sommigen er gemakshalve van uit dat iedereen het een goed idee vond.
Nieuwe sanitatie is niet de standaard geworden waar sommigen destijds stiekem op hoopten. Maar veel verschillende disciplines hebben er onderzoek naar gedaan en het concept lijkt veel meer gereed voor grootschalige toepassing. Ik kan me voorstellen dat waterbeheerders en planners nieuwe sanitatie vaker gaan zien als een van de mogelijke oplossingen om iets te doen aan zoetwaterbeschikbaarheid en drinkwaterreductie, eventueel in combinatie met lokale hemelwateropvang. En dat soort oplossingen hebben we nodig in het licht van klimaatverandering. Nieuwe sanitatie heeft wat sommige transitieonderzoekers noemen transitiepotentieel. Ik ben erg benieuwd of we de komende jaren dat potentieel gaan benutten.”
Harlinger wethouder Roel de Jong in STOWA ter Info 59 (2015):
“Een belangrijk obstakel daarbij zijn de waterschappen zelf. Wij zijn gewend het water te beheersen. Dat moet je los durven laten.”
Download het originele artikel als PDF
We hebben de mond vol over water en bodem sturend
De Harlinger wethouder Roel de Jong was van 2004 tot en met 2025 DB-lid bij Wetterskip Fryslân. In STOWA ter Info 59 interviewden wij hem over een nieuwe aanpak van beekherstel: ‘Building with Nature’. Via kleine ingrepen zoals het inbrengen van dood hout en zandsuppletie schep je daarmee de voorwaarden voor beekherstel; de beek doet daarna zelf het werk. Op de vraag waarom die succesvolle aanpak al niet lang gemeengoed was, antwoordde hij destijds: "Een belangrijk obstakel daarbij zijn de waterschappen zelf. Wij zijn gewend het water te beheersen. Dat moet je los durven laten."
“Ik maakte die opmerking omdat de waterschappen de wateroverlastnormen destijds zo’n beetje heilig hadden verklaard. Als je daar niet aan kon voldoen, dan was je toch geen goede waterschapper. Die mede door de landbouw afgedwongen hydrologische randvoorwaarde – geen wateroverlast op belendende percelen – zette een grote rem op dit soort ontwikkelingen. En waterschappen durfden de controle niet los te laten, toen niet en nu nog steeds niet trouwens. En dat terwijl wij tegenwoordig toch de mond vol hebben over water en bodem sturend.
Ik zou de opmerking nog steeds maken. Er is met goede bedoelingen nog heel veel in plannen, regels en verordeningen opgenomen dat in de praktijk remmend werkt op beekherstel en de ecologische waterkwaliteit van beken. Maar daarmee vaak ook op het langer vasthouden van water in beeksystemen om perioden van extreme droogte veel beter aan te kunnen. Beeksystemen kunnen daar een grote rol in spelen, maar dan moeten we wel af van die strikte voorwaarde om water altijd binnen het vaste profiel van de beek te houden. De urgentie om dat los te laten wordt zowel vanuit het oogpunt van ecologische waterkwaliteit als vanuit klimaatadaptatie steeds groter.”
Interimmanager Paul Koemans, Waterschap De Dommel, STOWA ter Info 67, herfst 2017:
“We moeten de overstap maken van het verkopen van een grondstof die we nu eenmaal kunnen maken, naar het verkopen van een grondstof waar vanuit de markt vraag naar is. Kortom: van technology push naar market pull. En er zijn launching customers nodig voor productie en afzet.”
Download het originele artikel als PDF
Afzet geen probleem meer
“Die market pull waarover ik in 2017 sprak, is er zeker gekomen. Daar heeft vooral AquaMinerals in opdracht van de waterschappen veel werk voor verzet,” aldus interim-manager Paul Koemans, destijds voorzitter stuurgroep Energiefabriek-Grondstoffenfabriek. “Kijk naar PHA, een afbreekbare natuurlijke plasticvervanger die je uit slib kunt produceren. Het heeft inmiddels de marktnaam Caleyda en er is vraag naar voor toepassing in afbreekbare netten, als landbouwfolie en als coating voor kunstmestkorrels en zaden.” Er staan volgens hem meerdere soorten bedrijven klaar die het willen afnemen.
“De bedrijven hebben proefhoeveelheden Caleyda getest en zijn enthousiast. Ik verwacht binnen twee tot vier jaar fullscale fabrieken voor PHA; de koplopers zijn er al mee aan de gang. Waarschijnlijk gaan waterschappen een halffabricaat maken. Dat past beter bij een waterschap. Net als bij Kaumera dat inmiddels toepassingen heeft gevonden in textiel en zelfhelend beton. Niet alle voorziene producten gaan zo hard. Cellulose vindt afzet, maar is geen vetpot. Biomassa blijft heel lokaal. En de afzet van fosfor in de vorm van struviet blijft achter, omdat de productiehoeveelheden klein zijn. Een continue hoeveelheid kunnen leveren, blijkt essentieel voor succes. Afnemers willen garanties voor kwaliteit en hoeveelheden. Maar er zitten ook weer nieuwe producten in de pijplijn, zoals lachgas.
De statistiek zegt dat het zo’n twintig jaar kost om een nieuw product naar de markt te brengen. Je denkt altijd dat het wel sneller kan, want je hebt een prachtig product. In ons geval gaat het bijvoorbeeld om Kaumera, PHA en fosfaat uit rioolwaterslib. Maar het kost tijd om de technologie erachter echt uit te ontwikkelen en op te schalen. Daarbij loop je toch vaak tegen kinderziektes aan. En dan kom je uiteindelijk toch uit op die twintig jaar voordat een product echt in de markt staat.
Terugkijkend zijn er echt grote stappen gemaakt in de afgelopen tien jaar. Biogas is tot nu toe het meest lucratieve product. Er staan al zeker zeventien biogasfabrieken en het bijproduct kooldioxide, CO2, gaat al naar de glastuinbouw toe. De grondstoffenkant is nog niet zo grootschalig, maar het zijn allemaal stappen en stapjes richting meer circulariteit.”
Watergraaf Stefan Kuks in STOWA ter Info 51 (2011):
“De overheid mag zeker veel ondernemender zijn. Maar er is wel een verschil tussen ondernemend zijn en ondernemer zijn.”
Download het originele artikel als PDF
We hebben alle creativiteit nodig om tot oplossingen te komen
Watergraaf Stefan Kuks kan zich de uitspraak over ondernemend en ondernemer zijn nog goed heugen. Hij was in die periode behalve watergraaf ook portefeuillehouder ‘Kennisontwikkeling & Innovatie’ in het bestuur van de UvW en bijzonder hoogleraar Innovatie en implementatie van Waterbeheer aan de UT. Kort en goed: hij at en dronk vernieuwing. Maar wat bedoelde hij destijds precies met die zin? En zou hij hem nog steeds voor zijn rekening willen nemen?
“Ik denk dat ik het woord ondernemend destijds vooral gebruikt heb in de zin van proactief en avontuurlijk, waarbij waterschappen meer samen met kennisinstellingen en bedrijven zouden moeten optrekken. Niet alleen om betere oplossingen te ontwikkelen, maar ook om – bijvoorbeeld als launching customer – bij te dragen aan een sterke watersector waar internationaal geld mee te verdienen is.
Ik sta nog steeds vierkant achter de zinsnede. Bij waterschap Vechtstromen stellen we de opgaven centraal en investeren we stevig in innovatie. Juist omdat de opgaven steeds complexer worden, hebben we alle creativiteit nodig om de ingewikkelde watervraagstukken het hoofd te bieden. Ik zie dat trouwens ook terug bij andere waterschappen, al zijn er wel verschillen. De een doet het erbij, voor de ander is ondernemend zijn bijna de kern van het werk.
Inmiddels heb ik veel geleerd over samen innoveren. Toen dacht ik nog: samenwerken met bedrijven en kennisinstituten, dat doe je gewoon. Maar zo eenvoudig is dat niet. Waterschappen denken niet altijd in termen van toegevoegde waarde en een businesscase. En bedrijven hebben democratische processen ook niet altijd scherp. Wij hebben indertijd speciaal iemand aangenomen om bruggen te bouwen tussen publiek, privaat en wetenschap. En inmiddels zijn we daar als waterschap best goed in geworden, denk ik.”
Wat dacht u toen?
In 100 uitgaven STOWA ter Info stonden af en toe opvallende uitspraken van geïnterviewden. De redactie vroeg aan enkelen van hen nog eens terug te blikken op wat ze destijds zeiden. Belangrijkste vraag: staat u er nog steeds achter?
Frans Klijn
Hoogwaterdeskundige
“Vanuit het idee van slachtofferreductie is een doorbraakvrije dijk een veel betere optie. Dan zullen we overigens wel af moeten van onze preoccupatie met het idee dat we nooit wateroverlast willen hebben.”
lees meer >
Lambert Verheijen Voormalig dijkgraaf Waterschap Aa en Maas
“De KRW is bestuurlijk veel te laat opgepakt. Nu schrikken we van de vraag of alles wel haalbaar en betaalbaar is. En is het zoeken geblazen naar de beleidsruimte die er nog is.”
lees meer >
Dries Hegger
Universitair hoofddocent regionaal water- en klimaatbeheer UU
“Hoe beter je kunt inspelen op de door gebruikers genoemde voordelen, hoe meer kans van slagen nieuwe sanitatie maakt.”
lees meer >
Roel de Jong
Wethouder Harlingen
lees meer >
Paul Koemans
Directielid Waterschap the Dommel
“We moeten de overstap maken van het verkopen van een grondstof die we nu eenmaal kunnen maken, naar het verkopen van een grondstof waar vanuit de markt vraag naar is. Kortom: van technology push naar market pull. En er zijn launching customers nodig voor productie en afzet.”
lees meer >
Stefan Kuks
Watergraaf
“De overheid mag zeker veel ondernemender zijn. Maar er is wel een verschil tussen ondernemend zijn en ondernemer zijn.”
lees meer >
Hoogwaterdeskundige Frans Klijn in STOWA ter Info 52, april 2012:
“Vanuit het idee van slachtofferreductie is een doorbraakvrije dijk een veel betere optie. Dan zullen we overigens wel af moeten van onze preoccupatie met het idee dat we nooit wateroverlast willen hebben.”
Download het originele artikel als PDF
Doorbraakvrije dijk hoort in gereedschapskist overstromingsrisicobeheersing
Frans Klijn staat twaalf jaar later nog steeds voor 100 procent achter de doorbraakvrije dijk. Ten tijde van bovenstaande uitspraak (2012) werkte Klijn als hoogwaterdeskundige bij Deltares en kort daarna zou hij ook hoogleraar worden aan de TU Delft. Sinds een jaar is Klijn met pensioen, maar hij is nog onverminderd voorvechter voor doorbraakvrije dijken.
“De doorbraakvrije dijk is één van de dingen die volgens mij nog omarmd zou moeten worden. Naast compartimentering zou de doorbraakvrije dijk een vast onderdeel in de gereedschapskist voor overstromingsrisicobeheersing moeten zijn. Uit een verkenning voor het Kromme-Rijngebied is in 2014 gebleken dat een stuk van zeven kilometer doorbraakvrije, lagere dijk veel minder slachtoffers en schade oplevert. Omdat het water dan langzaam en gedurende kortere tijd het gebied in stroomt, is er voldoende tijd om weg te komen en het water wordt slechts kniediep. Er zijn in Nederland wel doorbraakvrije dijken, maar die zijn min of meer per toeval ontstaan. Denk aan De Staart in Dordrecht. Op zo’n brede dijk kun je gewoon bouwen. Het is jammer dat het principe van de doorbraakvrije dijk nog niet is omarmd en dat dit type dijk daarom niet wordt overwogen als er een waterkering wordt ontworpen.
De doorbraakvrije dijk raakte uit beeld toen het oude stelsel voor hoogwaterbeschermingsnormen op de schop ging. Deels prima, waar dat tot normdifferentiatie heeft geleid. Maar waar de risicobenadering ontaardde in faalkansboekhouding, met bijvoorbeeld ‘ruimte’ voor ‘piping’ of graverij van bevers, is kosteneffectiviteit leidend geworden. En moeten we accepteren dat de standzekerheid van voldoende hoge dijken niet is gegarandeerd. Bij een doorbraakvrije dijk is de kans op doorbreken nihil. Hij kan wel overlopen en wateroverlast veroorzaken. Maar bij een dijk die doorbreekt, stroomt het water snel naar binnen en zijn de gevolgen veel groter. Dan kunnen er doden vallen. Bij een doorbraakvrije dijk stroomt het water langzaam over de dijk en kun je nog weg.
Er wordt vaak gedacht dat een doorbraakvrije dijk een dure oplossing is, maar dat hoeft niet zo te zijn. Want een doorbraakvrije dijk mag lager zijn, omdat er slechts wateroverlast ontstaat. Naar mijn mening moeten we stoppen met het optimaliseren naar kosteneffectiviteit en principiëlere keuzes maken. En dat is het voorkomen van grote aantallen slachtoffers door overstromingen.”
Lambert Verheijen, voormalig dijkgraaf Waterschap Aa en Maas, in STOWA ter Info Special Kaderrichtlijn Water, 2005:
“De KRW is bestuurlijk veel te laat opgepakt. Nu schrikken we van de vraag of alles wel haalbaar en betaalbaar is. En is het zoeken geblazen naar de beleidsruimte die er nog is.”
Download het originele artikel als PDF
‘Zonder centrale regie blijven we zoeken naar beleidsruimte’
Lambert Verheijen waarschuwde al in 2005 in STOWA ter Info dat de Kaderrichtlijn Water bestuurlijk veel te laat was opgepakt. Ruim twintig jaar later voelt hij zich in die waarschuwing bevestigd.
“Er was destijds, net als nu, te weinig bestuurlijke urgentie. De aandacht in de Tweede Kamer en het kabinet ging vooral uit naar waterveiligheid en overstromingsgevaar. Daar is veel bereikt, zoals de benoeming van de eerste Deltacommissaris Wim Kuijken in 2009 en de invoering van de Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening in 2012. De waterkwaliteit raakte echter op de achtergrond. Ook daarna ontbrak het aan voldoende centrale regie, uitvoering en toetsing, zoals bleek uit het rapport van de Raad voor de Leefomgeving uit 2023, waaraan ik heb bijgedragen.
Achteraf heb ik me erover verbaasd dat het ministerie van IenW bij de planvorming nooit toetste of onze stroomgebiedbeheerplannen en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsprojecten voldoende waren om in 2027 aan de eisen van de KRW te voldoen. Het Rijk is eindverantwoordelijk en moet beoordelen of het gezamenlijke resultaat van alle partijen voldoende is, en borgen dat de doelen worden gehaald.
Regie vanuit Den Haag onmisbaar
Ook hardnekkige problemen zijn te lang vooruitgeschoven. In 2005 waarschuwde ik al voor de grote hoeveelheden meststoffen in de Brabantse bodem, waarvan de uitspoeling nog tientallen jaren kan doorgaan. Ook de internationale afstemming kwam onvoldoende van de grond. Belgische en Duitse partijen kijken voor formele afspraken naar de nationale overheid. Actieve regie vanuit Den Haag is daarom onmisbaar.
Toch heeft de KRW veel in beweging gezet. Zonder de Europese richtlijn was er in Nederland waarschijnlijk veel minder gebeurd. Tegelijkertijd dienen zich nieuwe problemen aan, zoals PFAS, medicijnresten en indirecte lozingen. Om die aan te pakken, zijn voldoende kennis, capaciteit en financiële middelen nodig.
STOWA heeft een belangrijke rol gespeeld bij de praktische uitwerking van de KRW. Er is een stevige kennisbasis opgebouwd over watersystemen, maatlatten en de factoren die de waterkwaliteit bepalen. Maar kennis alleen volstaat niet. De belangrijkste les voor na 2027 is dat iemand verantwoordelijk moet zijn voor de samenhang, de voortgang moet bewaken en moet ingrijpen als maatregelen achterblijven. Zonder centrale regie blijven we zoeken naar beleidsruimte, terwijl de volgende waterkwaliteitsproblemen zich alweer aandienen.”
Universitair hoofddocent regionaal water- en klimaatbeheer aan UU Dries Hegger in STOWA ter Info 34 (2007):
“Hoe beter je kunt inspelen op de door gebruikers genoemde voordelen, hoe meer kans van slagen nieuwe sanitatie maakt.”
Download het originele artikel als PDF
Je moet technologische innovatie nooit loszien van de sociale context
STOWA ter Info 34 (2007) stond geheel in het teken van nieuwe of decentrale sanitatie, destijds een veelbesproken onderwerp. Bij deze vorm van sanitatie worden grijs- en zwartwaterstromen vaak gescheiden om daarna lokaal te worden behandeld. Dries Hegger interviewde destijds de bewoners van 32 nieuwbouwwoningen in Sneek, waar waterbesparende vacuümtoiletten waren geïnstalleerd en het afvalwater in de wijk zelf werd behandeld. Zijn conclusie: “Hoe beter je kunt inspelen op de door gebruikers genoemde voordelen, hoe meer kans van slagen nieuwe sanitatie maakt.”
“De interviews destijds maakten onderdeel uit van mijn promotieonderzoek. Het projectteam was erg gericht op zijn ervaringen met die toiletten. Maar voor bewoners was het bijvangst; ze waren vooral erg blij met een nieuwe woning. Iemand zei zelfs: ‘Ach, ze moeten toch ergens experimenteren’. Het heeft mij geleerd dat je een technologische innovatie nooit los moet zien van de sociale context; en dat je altijd de uiteenlopende perspectieven van belanghebbenden moet kennen, en dan niet van horen zeggen: gebruikers, bewoners, woningcorporaties, waterschappen en dergelijke. Dat gebeurt tegenwoordig zeker, maar in die tijd was het nog relatief nieuw, en gingen sommigen er gemakshalve van uit dat iedereen het een goed idee vond.
Nieuwe sanitatie is niet de standaard geworden waar sommigen destijds stiekem op hoopten. Maar veel verschillende disciplines hebben er onderzoek naar gedaan en het concept lijkt veel meer gereed voor grootschalige toepassing. Ik kan me voorstellen dat waterbeheerders en planners nieuwe sanitatie vaker gaan zien als een van de mogelijke oplossingen om iets te doen aan zoetwaterbeschikbaarheid en drinkwaterreductie, eventueel in combinatie met lokale hemelwateropvang. En dat soort oplossingen hebben we nodig in het licht van klimaatverandering. Nieuwe sanitatie heeft wat sommige transitieonderzoekers noemen transitiepotentieel. Ik ben erg benieuwd of we de komende jaren dat potentieel gaan benutten.”
Harlinger wethouder Roel de Jong in STOWA ter Info 59 (2015):
“Een belangrijk obstakel daarbij zijn de waterschappen zelf. Wij zijn gewend het water te beheersen. Dat moet je los durven laten.”
Download het originele artikel als PDF
We hebben de mond vol over water en bodem sturend
De Harlinger wethouder Roel de Jong was van 2004 tot en met 2025 DB-lid bij Wetterskip Fryslân. In STOWA ter Info 59 interviewden wij hem over een nieuwe aanpak van beekherstel: ‘Building with Nature’. Via kleine ingrepen zoals het inbrengen van dood hout en zandsuppletie schep je daarmee de voorwaarden voor beekherstel; de beek doet daarna zelf het werk. Op de vraag waarom die succesvolle aanpak al niet lang gemeengoed was, antwoordde hij destijds: "Een belangrijk obstakel daarbij zijn de waterschappen zelf. Wij zijn gewend het water te beheersen. Dat moet je los durven laten."
“Ik maakte die opmerking omdat de waterschappen de wateroverlastnormen destijds zo’n beetje heilig hadden verklaard. Als je daar niet aan kon voldoen, dan was je toch geen goede waterschapper. Die mede door de landbouw afgedwongen hydrologische randvoorwaarde – geen wateroverlast op belendende percelen – zette een grote rem op dit soort ontwikkelingen. En waterschappen durfden de controle niet los te laten, toen niet en nu nog steeds niet trouwens. En dat terwijl wij tegenwoordig toch de mond vol hebben over water en bodem sturend.
Ik zou de opmerking nog steeds maken. Er is met goede bedoelingen nog heel veel in plannen, regels en verordeningen opgenomen dat in de praktijk remmend werkt op beekherstel en de ecologische waterkwaliteit van beken. Maar daarmee vaak ook op het langer vasthouden van water in beeksystemen om perioden van extreme droogte veel beter aan te kunnen. Beeksystemen kunnen daar een grote rol in spelen, maar dan moeten we wel af van die strikte voorwaarde om water altijd binnen het vaste profiel van de beek te houden. De urgentie om dat los te laten wordt zowel vanuit het oogpunt van ecologische waterkwaliteit als vanuit klimaatadaptatie steeds groter.”
Interimmanager Paul Koemans, Waterschap De Dommel, STOWA ter Info 67, herfst 2017:
“We moeten de overstap maken van het verkopen van een grondstof die we nu eenmaal kunnen maken, naar het verkopen van een grondstof waar vanuit de markt vraag naar is. Kortom: van technology push naar market pull. En er zijn launching customers nodig voor productie en afzet.”
Download het originele artikel als PDF
Afzet geen probleem meer
“Die market pull waarover ik in 2017 sprak, is er zeker gekomen. Daar heeft vooral AquaMinerals in opdracht van de waterschappen veel werk voor verzet,” aldus interim-manager Paul Koemans, destijds voorzitter stuurgroep Energiefabriek-Grondstoffenfabriek. “Kijk naar PHA, een afbreekbare natuurlijke plasticvervanger die je uit slib kunt produceren. Het heeft inmiddels de marktnaam Caleyda en er is vraag naar voor toepassing in afbreekbare netten, als landbouwfolie en als coating voor kunstmestkorrels en zaden.” Er staan volgens hem meerdere soorten bedrijven klaar die het willen afnemen.
“De bedrijven hebben proefhoeveelheden Caleyda getest en zijn enthousiast. Ik verwacht binnen twee tot vier jaar fullscale fabrieken voor PHA; de koplopers zijn er al mee aan de gang. Waarschijnlijk gaan waterschappen een halffabricaat maken. Dat past beter bij een waterschap. Net als bij Kaumera dat inmiddels toepassingen heeft gevonden in textiel en zelfhelend beton. Niet alle voorziene producten gaan zo hard. Cellulose vindt afzet, maar is geen vetpot. Biomassa blijft heel lokaal. En de afzet van fosfor in de vorm van struviet blijft achter, omdat de productiehoeveelheden klein zijn. Een continue hoeveelheid kunnen leveren, blijkt essentieel voor succes. Afnemers willen garanties voor kwaliteit en hoeveelheden. Maar er zitten ook weer nieuwe producten in de pijplijn, zoals lachgas.
De statistiek zegt dat het zo’n twintig jaar kost om een nieuw product naar de markt te brengen. Je denkt altijd dat het wel sneller kan, want je hebt een prachtig product. In ons geval gaat het bijvoorbeeld om Kaumera, PHA en fosfaat uit rioolwaterslib. Maar het kost tijd om de technologie erachter echt uit te ontwikkelen en op te schalen. Daarbij loop je toch vaak tegen kinderziektes aan. En dan kom je uiteindelijk toch uit op die twintig jaar voordat een product echt in de markt staat.
Terugkijkend zijn er echt grote stappen gemaakt in de afgelopen tien jaar. Biogas is tot nu toe het meest lucratieve product. Er staan al zeker zeventien biogasfabrieken en het bijproduct kooldioxide, CO2, gaat al naar de glastuinbouw toe. De grondstoffenkant is nog niet zo grootschalig, maar het zijn allemaal stappen en stapjes richting meer circulariteit.”
Watergraaf Stefan Kuks in STOWA ter Info 51 (2011):
“De overheid mag zeker veel ondernemender zijn. Maar er is wel een verschil tussen ondernemend zijn en ondernemer zijn.”
Download het originele artikel als PDF
We hebben alle creativiteit nodig om tot oplossingen te komen
Watergraaf Stefan Kuks kan zich de uitspraak over ondernemend en ondernemer zijn nog goed heugen. Hij was in die periode behalve watergraaf ook portefeuillehouder ‘Kennisontwikkeling & Innovatie’ in het bestuur van de UvW en bijzonder hoogleraar Innovatie en implementatie van Waterbeheer aan de UT. Kort en goed: hij at en dronk vernieuwing. Maar wat bedoelde hij destijds precies met die zin? En zou hij hem nog steeds voor zijn rekening willen nemen?
“Ik denk dat ik het woord ondernemend destijds vooral gebruikt heb in de zin van proactief en avontuurlijk, waarbij waterschappen meer samen met kennisinstellingen en bedrijven zouden moeten optrekken. Niet alleen om betere oplossingen te ontwikkelen, maar ook om – bijvoorbeeld als launching customer – bij te dragen aan een sterke watersector waar internationaal geld mee te verdienen is.
Ik sta nog steeds vierkant achter de zinsnede. Bij waterschap Vechtstromen stellen we de opgaven centraal en investeren we stevig in innovatie. Juist omdat de opgaven steeds complexer worden, hebben we alle creativiteit nodig om de ingewikkelde watervraagstukken het hoofd te bieden. Ik zie dat trouwens ook terug bij andere waterschappen, al zijn er wel verschillen. De een doet het erbij, voor de ander is ondernemend zijn bijna de kern van het werk.
Inmiddels heb ik veel geleerd over samen innoveren. Toen dacht ik nog: samenwerken met bedrijven en kennisinstituten, dat doe je gewoon. Maar zo eenvoudig is dat niet. Waterschappen denken niet altijd in termen van toegevoegde waarde en een businesscase. En bedrijven hebben democratische processen ook niet altijd scherp. Wij hebben indertijd speciaal iemand aangenomen om bruggen te bouwen tussen publiek, privaat en wetenschap. En inmiddels zijn we daar als waterschap best goed in geworden, denk ik.”