Deze publicatie maakt gebruik van cookies

We gebruiken functionele en analytische cookies om onze website te verbeteren. Daarnaast plaatsen derde partijen tracking cookies om gepersonaliseerde advertenties op social media weer te geven. Door op accepteren te klikken gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.
Fotorealistische illustratie van een door de maan verlichte slaapkamer met een klok die 3:50 uur toont.

Wat houdt waterprofessionals wakker over de toekomst?

Welke wateropgaven houden professionals die midden in het waterbeheer staan wakker? En wat moet er nú gebeuren om daar in STOWA ter Info 150, in 2038, een ander verhaal over te kunnen vertellen? Deskundigen uit de watersector kijken twaalf jaar vooruit. Ze zien grote opgaven rond droogte, waterkwaliteit, waterveiligheid en nieuwe stoffen. Maar ook rond ruimte, uitvoeringskracht en deskundigheid. En ze vertellen wat nodig is om vooruitgang te boeken: samenhang, samenwerking, kennis en bestuurlijke moed.

Waterprofessionals

Programmamanagers en directeur van STOWA

Ted Veldkamp
Lector Klimaat en Water Centre of Expertise HRTech van Hogeschool Rotterdam

‘Hopelijk bleek de droogte van 2026 een kantelpunt’

‘De droogte van 2026 bleek een kantelpunt.’ Misschien opent zo in 2038 een artikel in editie 150 van STOWA ter gelegenheid van het volgende jubileum, denkt lector Klimaat en Water Ted Veldkamp. “Precies vijftig jaar na de historische droogte van 1976 werden we opnieuw geconfronteerd met langdurige droogte, lage rivierafvoeren en toenemende waterschaarste. Hopelijk constateren we in 2038 dat we toen niet alleen de crisis bestreden, maar ons watersysteem structureel anders zijn gaan inrichten. Dat is wat mij nu soms wakker houdt.

“Zeker in de gebouwde omgeving zijn we nog altijd sterk georganiseerd rond het afvoeren van water, terwijl we datzelfde water tijdens droge perioden hard nodig hebben. Voor drinkwater, maar ook voor stedelijk groen, verkoeling en een gezonde leefomgeving. Een groenere, klimaatadaptieve stad kan alleen functioneren wanneer we ook nadenken over haar toekomstige watervraag.

Stedelijk watersysteem

Binnen Thirsty Cities onderzoeken we hoe droogte zich door het stedelijke watersysteem beweegt en welke gebruikers wanneer in de problemen komen. Dat verschilt sterk tussen regio’s. Bodem, grondwater, oppervlaktewater, rivierafvoer, verzilting, stedelijke inrichting en watervraag grijpen op elkaar in. Juist die samenhang moeten we beter begrijpen om eerder te kunnen handelen. De transitie vraagt bovendien om een andere omgang met water: besparen waar dat kan, regenwater vasthouden en verschillende waterstromen hergebruiken waar dat verantwoord is. Daarbij moeten kwaliteit en kwantiteit gezamenlijk worden bekeken. Niet iedere toepassing vraagt immers om drinkwaterkwaliteit. Van gebouw en straat tot wijk, stad en regionaal watersysteem moeten we water veel meer als voorraad gaan organiseren.

Mijn gewenste kop voor STOWA 150 is daarom: ‘Nederland wacht niet langer op droogte.’ We beschikken dan over goede indicatoren en vroegtijdige waarschuwingen, en we handelen vóórdat tekorten tot schade leiden. Droogte is onderdeel geworden van ruimtelijke planning, waterbeheer en crisisbeheersing. Maar daarvoor zijn ook mensen nodig. Terwijl de wateropgaven groeien, staan wateropleidingen voor teruglopende studentenaantallen. Misschien is dát wel de meest urgente randvoorwaarde voor 2038: voldoende jonge professionals opleiden die waterkwaliteit, waterkwantiteit, ruimte, techniek en samenleving met elkaar kunnen verbinden. Want een waterbewuste samenleving vraagt uiteindelijk niet alleen om een ander watersysteem, maar ook om voldoende mensen die dat systeem kunnen veranderen.”

Roberta Hofman

Onderzoeker KWR

‘We moeten waterproblemen veel meer in samenhang oplossen’

“Eeuwenlang hebben we ervoor gezorgd dat we het water de baas werden en in onze delta droge voeten hielden. Tegelijkertijd zijn we erin geslaagd om alle inwoners constant te voorzien van een bijna ongelimiteerde hoeveelheid veilig en lekker kraanwater, dat we en passant ook gebruiken voor allerlei andere toepassingen.” Onze goede drinkwatervoorziening in combinatie met een goed afvalwatersysteem levert volgens KWR-onderzoeker Roberta Hofman een positieve bijdrage aan onze gezondheid en levensverwachting. Maar dat mooie systeem staat volgens haar wel op allerlei manieren onder druk.

“Vanwege klimaatverandering krijgen we te maken met pieken van te veel en lange periodes met te weinig water. Die leven grotere problemen, doordat we meer nodig hebben vanwege bevolkingsgroei, industriële activiteiten, datacentra en landbouw. Als er minder water beschikbaar is, nemen de concentraties aan verontreinigingen toe, wat nog verergerd wordt door bijvoorbeeld de vergrijzing. Die zorgt voor toenemende concentraties geneesmiddelen in ons afvalwater en milieu.

Problemen in samenhang bekijken

Een oplossing voor deze problemen ontwikkelen kan alleen als we alle problemen in samenhang bekijken. Het meeste drinkwater wordt in Nederland geproduceerd uit grondwater. Maar vanwege de lagere grondwaterstanden kijken de drinkwaterbedrijven nu ook meer en meer naar andere bronnen. Oppervlaktewater is soms wel beschikbaar, maar is zo ernstig vervuild dat het lastig is hier goed drinkwater van te maken. Dat probleem zouden we eigenlijk bij de bron moeten aanpakken: zorgen dat het oppervlaktewater voldoet aan de Kaderrichtlijn Water, maar dat vraagt weer om andere maatregelen. Het beperken van lozingen betekent ook dat we onze afvalwaterzuiveringen verder uitbreiden. STOWA financiert al jaren uitgebreide onderzoeksprogramma’s naar verschillende methoden om afvalwater beter te zuiveren, en ook KWR Water Research Institute is hier vaak bij betrokken. De technieken die ontwikkeld zijn voor de behandeling van drinkwater, zijn vaak ook toepasbaar voor afvalwater, met de kanttekening dat ze in die lastige matrix extra aanpassingen vragen.

Goede oplossingen voor microverontreinigingen

Op dit moment is PFAS een onderwerp dat veel waterbehandelaars wakker houdt. Dat betekent echter ook dat er wereldwijd met man en macht aan oplossingen gewerkt wordt, en er gelobbyd wordt voor een beperking van de productie en het gebruik ervan. Hopelijk leidt dat ertoe dat we tegen 2038 dat probleem in elk geval beheersbaar hebben gemaakt. En ook voor allerlei andere organische microverontreinigingen in afval- en drinkwater, zoals pesticiden en geneesmiddelen, zijn tegen die tijd waarschijnlijk goede oplossingen beschikbaar om te voorkomen dat ze in het milieu en daarmee in onze drinkwaterbronnen terechtkomen.

Het is lastig te voorspellen welke problemen er echter tegen 2038 zullen spelen. Net zoals we twintig jaar geleden PFAS nog niet goed konden analyseren, en dus niet wisten dat we een probleem aan het creëren waren, zullen er tegen die tijd weer nieuwe verbindingen opduiken die erg handig lijken in het gebruik, maar ons bij nader inzien voor uitdagingen zullen stellen. De toename van accu’s in onze samenleving zou bijvoorbeeld nieuwe problemen kunnen veroorzaken door toenemende gehaltes lithium (en PFAS) in oppervlaktewater. Bovendien wil Europa meer zelfvoorzienend worden, en dus inzetten op eigen mijnbouw, wat ongetwijfeld voor nieuwe uitdagingen in het aquatisch milieu gaat zorgen. Daarnaast zien we dat klimaatverandering via verdroging en zeespiegelstijging zorgt voor verzilting van ons oppervlakte- en grondwater. Ook dit gaat uitdagingen opleveren voor drinkwaterbedrijven en waterschappen. Terugwinning en hergebruik van grondstoffen zullen steeds belangrijker worden. Tot slot is het de vraag of we voldoende water houden, of toch niet meer moeten gaan inzetten op hergebruik, en bijvoorbeeld afvalwater gaan zuiveren tot industriewater of zelfs drinkwater.

Invloed AI

Een thema dat nu erg in opkomst is, maar waarvan we de reikwijdte nog niet kunnen inschatten, is de invloed van AI. Computermodellen zullen ons steeds beter kunnen helpen om de waterkwantiteit en -kwaliteit, en de effecten van (nieuwe) zuiveringsprocessen te voorspellen, al zullen praktijktesten met water altijd nodig blijven.

Het vinden van oplossingen voor de problemen in ons watersysteem zal veel vragen van alle Nederlanders. Mensen moeten zich bewust worden van de problematiek en verstandiger omgaan met water. Maar tegelijkertijd zullen de nieuwe oplossingen geld kosten, en is er draagvlak nodig onder de bevolking voor de investeringen en bijvoorbeeld het ruimtebeslag dat dit zal vergen. Voor STOWA betekent dit dat er niet alleen gekeken moet worden naar technische aspecten om afvalwater steeds schoner te maken, maar ook naar welke toepassingen er voor dit schonere water mogelijk zijn, en hoe je daar draagvlak voor creëert bij de bevolking.

Water houdt zich niet aan provincie-, lands- of waterschapsgrenzen, en dit alles zal betekenen dat drinkwaterbedrijven, waterschappen en de industrie meer zullen moeten gaan samenwerken, ook internationaal. Dat versterkt niet alleen het onderzoek, maar kan er ook voor zorgen dat oplossingen op grotere schaal geïmplementeerd worden. Onderzoekers kunnen prima samenwerken in allerlei projecten, zoals STOWA-projecten en de WICE-projecten van KWR (Water In the Circular Economy, red.) mooi laten zien. Maar om de resultaten succesvol in de praktijk te brengen, is het nodig dat er een breed draagvlak ontstaat, en dat alle spelers in het watersysteem goed samenwerken.”

Fransje Hooimeijer

Professor Delta Urbanism TU Delft

‘We moeten opnieuw leren wonen met water’

“De Nederlandse cultuur en ruimtelijke ordening zijn direct af te leiden van de gezamenlijke strijd tegen het water. We hebben elkaar nodig. Zeker in de toekomst, omdat het veranderende klimaat druk zet op het hydrologische systeem,” aldus professor Fransje Hooimeijer. Het op orde brengen van het land voor bewoning is volgens haar volledig gericht op het managen van het water. “Maar als dit in de toekomst moeilijk wordt, waar kunnen we dan nog wonen? Maar vooral ook: hoe kunnen we dan wonen? Dit gaat een systeem- en cultuurverandering veroorzaken die impact heeft op hoe we bouwen, financieren en leven.”

“Het ideaalbeeld van een doorzonwoning staat nu al op de helling; er is domweg geen ruimte meer om zo te wonen. De ratio tussen stad en land wordt in de toekomst steeds belangrijker om een gezond watersysteem te behouden. Dus de steden worden voller, met technologische hulp om water te besparen en te maken, met slimme ontwerpen die ook nog in open bodem voorzien voor infiltratie en het nodige groen om de stad te koelen. Water en bodem zullen op systeemniveaus sturend moeten zijn in het herontwerp van de stad.

Zoet water vasthouden

Ten aanzien van de kustbescherming zullen we dijkring 14 te allen tijde moeten handhaven, want daar ligt het hart van onze economie. Tegelijkertijd is het dom om het zoete water van de rivier weg te laten stromen in zee, dus we moeten zoveel mogelijk zoet water gaan vasthouden binnen dijkring 14. Het wordt daarbinnen een waterlandschap, noodzakelijk om er te kunnen blijven wonen, en alle landbouw zal naar hoger gelegen Nederland moeten verhuizen. In het natte landschap zullen nog wel kleine kernen zijn en mensen wonen daar veel letterlijker met het water. Hetzelfde geldt voor gebieden die we anders gaan programmeren, meer dynamisch met het water en een andere agrarische productie, afgestemd op de kosten van het watersysteem voor de maatschappij.

Deze nieuwe verhouding met ons landschap zorgt voor veel ruimtelijke kwaliteit en een duurzamere manier van wonen. Het vraagt om andere organisatie- en financieringsmodellen die we kunnen opbrengen, omdat het wonen in een delta gewaardeerd wordt. We waarderen land als bodem en water als productief gebied; dat wordt niet los gezien (zoals nu) van de functie die het vervult voor ons gebruik.

Dat betekent dat STOWA een belangrijke rol heeft in de ruimtelijke ordening van de toekomst om het wonen met het water, landbouw en waterbeheer systematisch met elkaar te verbinden op basis van de natuurlijke waarde van water- en bodemsystemen.”

Marcel Tosserams

Topadviseur Waterkwaliteit en Natuur Rijkswaterstaat

‘STOWA kan de samenhang tussen opgaven agenderen’

“Als je twaalf jaar terugkijkt, zie je dat veel thema’s die toen speelden nog steeds op de agenda staan. Wanneer je de nota’s uit die tijd doorbladert, zoals het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren, zie je dezelfde onderwerpen terugkomen”, aldus Marcel Tosserams. Als voorbeelden noemt hij de gevolgen van klimaatverandering, ruimtegebruik, uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat door de landbouw, maar ook de aanwezigheid van chemische stoffen in het water en ecologisch herstel.

“Vandaag de dag zijn we er nog steeds volop mee bezig. Maar de context is wel veranderd. In 2014 lag de focus op het verbeteren van de waterkwaliteit. Dat is voor de komende jaren nog altijd van belang, waarbij tegelijkertijd de bescherming van waterkwaliteit en natuur binnen de grenzen van het systeem steeds belangrijker wordt. De klimaatverandering maakt dat we vaker met langere periodes van droogte en extreme neerslag te maken krijgen. Dat zet de waterkwaliteit onder druk. Bij lage afvoeren is er minder water om verontreinigende stoffen te verdunnen, waardoor de concentraties, maar ook de watertemperatuur stijgen. Ook komen er steeds meer nieuwe stoffen in het water terecht. RWS verwacht dat we het in 2038 niet meer specifiek over PFAS hebben, maar over een veel breder palet aan nieuwe en opkomende stoffen. Er worden voortdurend nieuwe stoffen ontwikkeld. Je kunt dan ook niet eindeloos iedere stof afzonderlijk blijven meten, beoordelen en reguleren. We bewegen van meten van specifieke stoffen naar breder monitoren, beoordelen en sturen.

Anders monitoren

Deze ontwikkeling maakt het noodzakelijk om anders te gaan monitoren. Denk aan non-target screening, waarbij je veel breder kijkt welke stoffen in het water aanwezig zijn. Denk aan effectgerichte monitoring: wat doet het totale mengsel van stoffen met het waterleven, en wat betekent dit voor de verschillende gebruiksfuncties die van schoon water afhankelijk zijn? Vervolgens kun je gerichter onderzoeken welke stoffen het meest bijdragen aan de toxische druk (zie ook www.sleutelfactortoxiciteit.nl, red.). Daar ligt een belangrijk kennisvraagstuk waarbij STOWA een rol kan spelen.

Met de Europese Natuurherstelverordening worden de verplichtingen voor natuurherstel steviger. Daar komen andere verplichtingen en transities nog bovenop. De energietransitie kan bijvoorbeeld nieuwe risico’s voor de waterkwaliteit opleveren, bijvoorbeeld door toename van het gebruik van waterstof, ammoniak en alternatieve scheepsbrandstoffen. Ook de circulaire economie brengt nieuwe afval- en reststromen met zich mee. We weten nog lang niet altijd wat daarvan de consequenties zijn.

Keuzes maken

Al deze ontwikkelingen grijpen op elkaar in. Waterkwaliteit kun je niet meer loszien van klimaat, natuur, gezondheid, energie, drinkwatervoorziening en ruimtelijke ordening. De ruimte wordt schaarser en er komen steeds meer functies bij. Niet alles kan meer. De politiek zal dus keuzes moeten maken: waarvoor gebruiken we het beschikbare water, wie krijgt voorrang en welke kwaliteit vinden we daarbij noodzakelijk? Hiervoor is en blijft (inter)nationale samenwerking een belangrijke voorwaarde.

Voor STOWA betekent dit dat de kennisagenda niet alleen technisch-inhoudelijk moet zijn. We weten al heel veel over de relaties tussen klimaat-waterkwaliteit, AI, sensoren, eDNA en digital twins, om maar een paar voorbeelden te noemen. De uitdaging van 2038 is niet één probleem. Klimaatverandering, waterkwaliteit, natuur, energietransitie en ruimtedruk drukken tegelijkertijd op hetzelfde systeem. Tegelijkertijd hebben we te maken met schaarstes die de uitvoeringskracht raken. Dat vraagt om kennisontwikkeling en samenwerking in de volle breedte. Op technisch-inhoudelijk, ruimtelijk, maar ook op socio-economisch, organisatorisch en bestuurlijk vlak. STOWA kan helpen die samenhang vroegtijdig te agenderen en daarmee tijdig handelen mogelijk te maken. Daarbij gaat het ook om de vraag hoe verantwoordelijkheden en eigenaarschap worden georganiseerd en hoe verschillende, soms overlappende beleidsopgaven beter met elkaar kunnen worden verbonden.”

Alex Roos

Technisch manager programma Rijkskeringen Rijkswaterstaat

‘STOWA kan helpen de uitvoeringskracht te organiseren’

Klimaatverandering, cyberdreigingen en een tekort aan geld, mensen en kennis stellen het waterkeringbeheer de komende jaren voor ingrijpende keuzes. Volgens Alex Roos, technisch manager van het programma Rijkskeringen bij Rijkswaterstaat, kan STOWA helpen door te onderzoeken hoe de waterschappen hun uitvoeringskracht organiseren.

Volgens Roos moeten we het watersysteem in Nederland op een andere manier inrichten. De lange periode van droogte in 2026 benadrukt de urgentie. Nederland is er lang aan gewend geweest waterproblemen met pompen en stuwen op te lossen. Die vanzelfsprekendheid verdwijnt. Als er nauwelijks water via de Rijn binnenkomt, valt er ook niets meer te verdelen. Tegelijkertijd voeren we in de winter nog veel water af, terwijl de problemen door droogte in de zomer steeds groter worden. We moeten volgens Alex Roos daarom opnieuw nadenken over waar en hoe we water langer kunnen vasthouden. Hij waarschuwt dat modellen niet blindelings kunnen worden gevolgd. Ze zijn grotendeels gebaseerd op ervaringen uit het verleden, terwijl het klimaat sneller verandert dan de modellen voorspellen.

Kwetsbare waterkeringen

Een tweede zorg is de weerbaarheid van waterkeringen. Deze zijn afhankelijk van elektriciteit. Maar wat als de elektriciteitsvoorziening langdurig uitvalt door een cyberaanval? “Dan heb je een aggregaat nodig. Moeten we dan overal aggregaten gaan plaatsen?” Cyberveiligheid en weerbaarheid gaan de komende jaren nog veel meer aandacht krijgen, verwacht Roos. “De hacktechnologie ontwikkelt zich snel. Wat betekent dit in 2038 voor de veiligheid van onze stormvloedkeringen? Kunnen we ze dan nog wel veilig beheren? Dat vind ik lastig te voorspellen.” Cyberveiligheid blijft volgens Roos een voortdurende wedloop. Kwaadwillenden ontwikkelen steeds nieuwe methoden om te hacken. Ook desinformatie kan voor paniek zorgen. “Bijvoorbeeld als mensen een sms krijgen dat er een overstroming plaatsvindt, terwijl dat niet het geval is.”

Uitvoeringskracht onder druk

Minstens zo urgent is het gebrek aan geld, deskundigheid en uitvoeringscapaciteit. Rijkswaterstaat heeft door reorganisaties veel kennis verloren. Een deel daarvan werd bij de markt belegd, maar daarmee verdween volgens Roos ook intern eigenaarschap. Als voorbeeld noemt hij de ongeveer zestig kilometer aan regionale keringen die versterkt moeten worden. Rijkswaterstaat probeert al twee jaar een uitvoeringsteam voor die opgave samen te stellen. “We kunnen als waterkeringbeheerder niet alle taken volledig uitvoeren. Qua deskundigheid en capaciteit zijn we er nog niet.”

Meer centrale regie

Volgens hem kan STOWA helpen door te onderzoeken hoe de waterschappen hun uitvoeringskracht organiseren. Sommige waterschappen beschikken bijvoorbeeld over eigen mensen om sluisdeuren meteen te kunnen repareren als ze door een aanvaring zijn beschadigd. Ze hoeven geen aanbesteding in de markt te zetten, maar hebben de uitvoeringskracht zelf in huis. “Hier krijg je via het STOWA-netwerk meer inzicht in. En dat is ook relevant voor Rijkswaterstaat. Wij besteden inspecties van waterkeringen vaak uit aan aannemers, terwijl bij waterschappen de eigen medewerkers de dijken controleren.” Door de werkwijzen met elkaar te vergelijken, kan duidelijk worden welke organisatievorm het beste beheer oplevert. De kracht zit voor hem ook in het STOWA-netwerk en de bijeenkomsten. Daar gaan kennis en praktijkervaring leven en worden ze daadwerkelijk toegepast. Voor 2038 verwacht hij dat er meer centrale regie en samenwerking nodig is om het waterbeheer goed te organiseren. Grote ingrepen, zoals dijkversterkingen, raken vrijwel altijd tegengestelde belangen en kunnen door langdurige procedures langdurig vertraging oplopen. “Rijk, provincies en waterschappen zitten in hetzelfde schuitje. We moeten samenwerken om de waterbeheersvraagstukken op te lossen, maar er is ook iemand nodig die uiteindelijk zegt: dit moeten we nu gaan doen.”

Marleen van Rijswick

Hoogleraar Europees en nationaal waterrecht Universiteit Utrecht

‘Zonder bestuurlijke moed lossen we de wateropgaven niet op’

“Wat zich in 2038 kan wreken, is dat we in 2026 geen visie hadden op het land waarin we willen wonen en onze kinderen en kleinkinderen willen laten opgroeien,” zegt hoogleraar Europees en nationaal waterrecht Marleen van Rijswick. Er wordt veel onderzocht, gepraat, overlegd en geparticipeerd, maar pijnlijke keuzes in het algemeen belang worden volgens haar onvoldoende gemaakt.

“Ik vrees dat de macht van lobbygroepen de democratische besluitvorming in het algemeen belang nog sterker zal ondermijnen dan nu. Kortetermijnbelangen van bepaalde sectoren kunnen, zonder respect voor regels en rechtsstaat en desnoods met geweld, de veiligheid en toegankelijkheid van voldoende schoon water voor alle burgers onder druk zetten. Het vertrouwen in de overheid, dat altijd groot was als het om waterbeheer ging, kan verder afbrokkelen als rechtvaardigheid in het beleid ontbreekt. De vervuiler en de gebruiker betalen niet of onvoldoende. Ecosystemen worden vernietigd, of kunnen zich niet meer herstellen.”

Chemische stoffen blijven een probleem

“Waterveiligheid zal altijd een opgave blijven, maar met de kennis waar Nederland om bekendstaat, kunnen we Nederland veilig houden. In 2038 gebeurt dat hopelijk met een mix van grijze en natuurgebaseerde oplossingen. Veel moeilijker op te lossen is de mix en cumulatie van chemische stoffen die de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater aantasten. Die stoffen zullen in de hele voedselketen, het drinkwater en onze lichamen terug te vinden zijn. Daarnaast zijn waterbewustzijn en weerbaarheid een absolute noodzaak. Het belang van gezonde ecosystemen voor mens en natuur wordt nog altijd onderschat, terwijl iedereen ervan afhankelijk is. Ook de veiligheid van ons watersysteem, inclusief de kunstwerken, tegen digitale aanvallen en cybercrime wordt een grote opgave.”

Bestuurlijke moed is de grootste onzekerheid

“De impact van klimaatverandering zal steeds groter worden en de samenleving onder druk zetten. Tegen 2038 zullen de meeste babyboomers er niet meer zijn en is er wellicht een tekort aan voldoende geschoold personeel, tenzij we welwillender tegenover buitenlandse werknemers staan en jonge mensen binnen organisaties opleiden.”

“De grootste onzekerheid zit voor mij in bestuurlijke moed, standvastige uitvoering en handhaving, en in democratische besluitvorming in het algemeen belang. Zal de wal het schip van het kortetermijndenken keren? Is een echte transitie op tijd mogelijk? Kunnen we samenwerken in plaats van steeds meer conflicten en tegenstellingen te creëren?”

“Daarbij moeten we veel beter kijken naar de relatie tussen de eigen taak en verantwoordelijkheid van partijen enerzijds en hun afhankelijkheid van andere publieke en private partijen aan de andere kant. Dat vraagt om een eerlijk en genuanceerd verhaal. Als de één niet betaalt of steeds royaal wordt gecompenseerd, bij wie wordt de rekening dan neergelegd? Als alles vrijwillig moet, wie draagt dan de gevolgen als dat niet effectief blijkt te zijn? De overheid en waterbeheerder kunnen de problemen niet alleen oplossen en zouden zeker niet de kortetermijnbelangen van de politieke achterban voorop moeten stellen. De vraag is hoe we sectorale belangen zo kunnen coördineren, dat de samenleving als geheel er zoveel mogelijk voordeel van heeft.”

Waterbeheer anders organiseren

“Hoe ik hoop dat het waterbeheer er in 2038 uitziet? Indirecte lozingen vallen dan weer onder de bevoegdheid van de waterbeheerder. Bij verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit hoort immers ook de bevoegdheid om lozingen te reguleren, te beheren en te handhaven. Ook het grondwaterbeheer is dan een bevoegdheid van de waterbeheerder. Waterschappen en regionale directies van Rijkswaterstaat zijn samengevoegd op basis van deelstroomgebieden.”

“Landbouw en Visserij vallen onder het ministerie van Economische Zaken. Klimaat, natuur, ruimtelijke ordening, milieu en water zijn ondergebracht bij een ministerie van Leefomgeving. Normstelling is gebaseerd op wat mens en milieu aankunnen en normen zijn goed op elkaar afgestemd, binnen planetaire en duurzaamheidsgrenzen.”

“Ook de terugwinning van kosten voor waterdiensten is eindelijk goed geregeld, met bestemmingsheffingen voor diffuse lozingen en watergebruik. Het toekennen van rechten aan rivieren is niet meer nodig, omdat rivieren en de natuur voldoende worden beschermd door adequate regelgeving en handhaving. Dat wordt ondersteund door een breed gedeeld verantwoordelijkheidsbesef bij burgers en bedrijven. Iedereen realiseert zich dat deze randvoorwaarden voor het leven beschermd moeten worden.”

Multidisciplinaire kennis

“Voor STOWA ligt er richting 2038 vooral een opgave om te investeren in multidisciplinair onderzoek. Deze vraagstukken kunnen niet met monodisciplinaire kennis worden opgelost. Dat vraagt de bereidheid om van elkaar te leren, elkaars kennis te respecteren en praktisch samen aan de slag te gaan. Wat kennisdoorwerking betreft, vind ik dat STOWA het nu al goed doet. Wellicht kan de organisatie haar kennis niet alleen onder vakgenoten verspreiden, maar ook onder een groter publiek, om zo het waterbewustzijn te vergroten.”

Tessa Rotscheid

Promovenda Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law

‘Waterrecht blijft in beweging richting 2038’

In de juridische literatuur zijn er in de loop der jaren meerdere (Europese) ‘golven’ van waterwetgeving te onderscheiden. De KRW luidde de derde golf in. Deze richtlijn is in 2038 bijna veertig jaar oud. Omdat er nog steeds nieuwe uitdagingen voor de waterkwaliteit bijkomen, onder meer in de vorm van nieuwe schadelijke stoffen, zal de KRW vermoedelijk ook dan nog relevant zijn, aldus KRW-onderzoeker Tessa Rotscheid.

“In 2039, een jaar later, moet bovendien voor een groep nieuw genormeerde stoffen aan de normen worden voldaan. Hopelijk is het niet nodig om voor die stoffen een beroep op een uitzonderingsgrond te doen, maar de vraag is of dat reëel is. Bovendien zijn de (aan strikte voorwaarden gebonden) uitzonderingsgronden er niet voor niks, en zijn er soms gegronde redenen waarom doelen niet (op tijd) worden gehaald.

Als de focus op (toekomstige) ontwikkelingen in de implementatie van de KRW ligt, dan valt verder op dat er de laatste tijd veel aandacht is voor een betere afstemming van de eisen uit de KRW op andere beleidsterreinen, zoals de landbouw. Ook op andere terreinen, denk bijvoorbeeld aan de productregelgeving en bouwregelgeving, is er nog ruimte voor verbetering. Misschien lukt dit niet allemaal in de komende jaren, maar hopelijk zijn er voor 2038 al wel stappen in de goede richting gezet.

Mogelijk begeven we ons richting 2038 naar weer een nieuwe ‘golf’ van waterwetgeving. Wat die ‘golf’ precies zal inhouden, is lastig te voorspellen. Als de vraag naar een mogelijke nieuwe ‘golf’ waterwetgeving breder wordt getrokken dan alleen de implementatie van de KRW en de waterkwaliteit, dan zijn er ook andere watergerelateerde uitdagingen die de komende jaren (meer) aandacht vragen. Denk aan circulair waterbeheer, het omgaan met (langere) periodes van droogte en de verdelingsvraagstukken die daarmee gepaard gaan. Ook op die terreinen zal het waterrecht zich verder ontwikkelen. De ene uitdaging is daarmee nog niet weggeëbd, en de volgende uitdaging dient zich alweer aan.”

Jeroen Essink

Beleidsadviseur Recreatie, Waterschap Rivierenland, en lid Waterwegen

‘We moeten nu schakelen en niet wachten tot het te laat is’

“Er is in de huidige samenleving genoeg om wakker van te liggen. Als ik naar het Nederlandse waterbeheer kijk, maak ik me vooral zorgen over ons onvermogen om keuzes te maken en die ook daadwerkelijk uit te voeren, aldus beleidsadviseur Jeroen Essink. Het stikstofdossier is daarvan volgens hem een goed voorbeeld: “Het speelt al decennia, maar echte oplossingen blijven uit.”

“De problemen rond waterbeschik­baarheid worden steeds zichtbaarder. Ook de waterkwaliteit blijft achter, ondanks alle inspanningen voor de Kaderrichtlijn Water. Ook op het gebied van waterkwantiteit zetten we maar mondjesmaat stappen. Droogte zal vaker voorkomen, net als perioden met extreme wateroverlast. Toch lijkt het besef dat we daarmee moeten leren omgaan maar langzaam door te dringen, zowel in de samenleving als in Den Haag. Terwijl juist daar soms harde en pijnlijke keuzes nodig zijn.

Water is een schaars goed

Tijdens de huidige droogte wordt met man en macht geprobeerd om water op peil te houden en verzilting tegen te gaan. Tegelijkertijd gebruiken we water nog vaak alsof het onbeperkt beschikbaar is. We douchen lang en sproeien onze tuinen met drinkwater, ook als de regenton leeg is. We vergeten hoe bijzonder het is dat gezond en schoon water voor ons zo vanzelfsprekend beschikbaar is.

Maar water is een schaars goed. Dat geldt voor ons drinkwater, dat onder druk staat door onder meer verzilting en de kwaliteit van onze rivieren, maar ook voor het oppervlaktewater waarin we willen zwemmen en verkoeling zoeken zonder daarvan ziek te worden.

Krachtiger signaal

Als ik vooruitkijk naar 2038, hoop ik dat waterschappen en drinkwaterbedrijven daarover tegen die tijd gezamenlijk een veel krachtiger signaal afgeven. We maken nu een van de grootste droogteperioden sinds het begin van de metingen mee en toch horen we dat het met de drinkwatervoorziening goed gaat. Maar voor hoelang? We moeten nu schakelen en niet wachten tot het te laat is.

Daarbij moeten we verder kijken dan Nederland. Bescherming van water is een Europese opgave. Maak afspraken over zowel kwaliteit als kwantiteit, zodat we als Europese landen de lusten én de lasten gezamenlijk dragen.”

Tessa van der Wijngaart

Programmamanager Waterkwaliteit

Van kennis naar handelen en verbinding tussen doelen

Voor programmamanager Waterkwaliteit en Ecologie Tessa van der Wijngaart zit de grootste zorg niet zozeer in een gebrek aan kennis. Over veel problemen met waterkwaliteit en aquatische ecologie is al best veel bekend. De uitdaging is om die kennis daadwerkelijk te laten stromen en om te zetten in handelen. Waar zitten de hobbels nu precies? Dat vraagt volgens haar ook aandacht voor de menselijke en sociale kant van waterbeheer.

“We hebben al veel inhoudelijke kennis over waterkwaliteit en ecologie in huis, maar handelen daar nog onvoldoende naar. We weten bijvoorbeeld veel over de grote hoeveelheid voedingsstoffen en milieuvreemde stoffen die in ons water terechtkomen. De vraag is: wanneer gaan we die kennis echt omzetten in actie? Als dat onvoldoende gebeurt, ben ik bang dat de natuur onder water verder achteruitgaat, met een lagere biodiversiteit en slechtere waterkwaliteit tot gevolg. Dat heeft uiteindelijk ook gevolgen voor de functies die oppervlakte- en grondwater voor mensen vervullen.

Een tweede uitdaging is de verbinding tussen verschillende vakgebieden en beleidsdoelen. In een dichtbevolkt land als Nederland kunnen doelstellingen van overheden en afzonderlijke beleidsterreinen in de praktijk met elkaar botsen. We moeten voorkomen dat iedereen alleen voor zijn eigen doel strijdt. De uitdaging is om kennis uit verschillende vakgebieden bij elkaar te brengen en te zoeken naar de best mogelijke oplossing. Dat vraagt ook iets van de kennis die wij als STOWA ontwikkelen én van de manier waarop we die beschikbaar stellen.

Een concreet voorbeeld is de samenhang tussen de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Natura 2000. Maatregelen die vanuit het ene doel wenselijk zijn, kunnen het andere juist in de weg zitten. Zo kan voedselrijk, troebel water in laagveenmoerassen gunstig zijn voor bepaalde moerasvogels, terwijl voor de KRW vaak juist helder water gewenst is. In het rivierengebied kan het verwijderen van stenen bijdragen aan de KRW-doelen, terwijl die stenen tegelijkertijd stroomdalgrasland beschermen. STOWA werkt daarom aan een handreiking om beide opgaven beter te integreren in natuur- en waterbeheer.”

Oscar van Dam

Programmamanager Waterveiligheid

Ruimte voor water­veiligheid, de bever en crisiscapaciteit

“Door klimaatverandering en bodemdaling zullen onze dijken en duinen in de nabije toekomst steeds hoger moeten worden. En hoger betekent ook breder, aldus Oscar van Dam. Maar daar is volgens hem steeds minder ruimte voor, want naast waterveiligheid leggen andere relevante maatschappelijke opgaven ook claims op de ruimte: woningbouw, recreatie, natuurontwikkeling, landbouw en industrie: “Sommige functies kunnen zeer goed worden gecombineerd door meervoudig ruimtegebruik, andere zijn lastiger.”

“De bever heeft een spectaculaire comeback gemaakt na de herintroductie in 1988. Het dier hoort in Nederland, is een echte waterbouwer en is zeer goed voor de biodiversiteit. Maar de bever graaft ook op plekken waar we dat echt niet willen: in dijken en onder (spoor)wegen. STOWA heeft samen met Rijkswaterstaat, ProRail, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen, in samenwerking met Zodion (vh. de Zoogdiervereniging, red.) het Kenniscentrum Bever opgericht. Hierin bundelen we alle kennis, werken we samen en zetten we nieuw onderzoek uit. Zo wordt op dit moment ook aan een landelijke beveraanpak gewerkt.

Een (bijna)overstroming is een crisis, zoals in de zomer van 2021 langs de Maas. Deze crisis hebben we ternauwernood kunnen afwenden, onder andere door de inzet van Defensie. We kunnen echter niet te allen tijde rekenen op de inzet van Defensie wanneer de dreiging aan de oostgrens van de NAVO toeneemt. Hoe hebben we toch voldoende handjes beschikbaar om een toekomstige watercrisis te bemensen?”

Cora Uijterlinde

Programmamanager Afvalwatersystemen

Waterkwaliteit, grondstoffen en AI

Slagen we erin duurzame oplossingen te vinden voor de waterkwaliteit en de rol die rwzi’s daarbij spelen? Dat is een grote zorg van Cora Uijterlinde: “Stoffen zoals PFAS en andere microverontreinigingen blijven onze waterkwaliteit onder druk zetten. Tegelijkertijd worden droogte, hitte en extreme buien steeds normaler, waardoor het watersysteem veel robuuster moet worden dan nu.” De eisen die worden gesteld aan oppervlaktewater en effluent, worden volgens haar bovendien steeds hoger.

“Ik zie ook een grote uitdaging in het benutten van de grondstoffen die al aanwezig zijn in rioolwater. We werken hard aan circulariteit, maar de vraag is of we er daadwerkelijk in slagen in 2050 volledig circulair te zijn. Dat is immers de ambitie van de waterschappen. Ons rioolwater is een schatkamer met waardevolle grondstoffen. Het is de kunst ze op een goede manier te oogsten en opnieuw te gebruiken. En het is de uitdaging om circulair werken echt naar regulier werken te krijgen. Nu zit het vaak nog in de hoek ‘leuk’ in plaats van in de hoek ‘noodzakelijk’.

Een ander onderwerp dat mij bezighoudt, is de rol die digitalisering en AI speelt en nog gaat spelen in het zuiveringsbeheer. We passen steeds meer zelflerende systemen toe die continu voorspellen wat er gaat gebeuren in het riool, het influent en de zuiveringsprocessen. Tegelijkertijd roept dit nieuwe vragen op. Hoe afhankelijk willen we worden van algoritmen? Wie stuurt het algoritme? Begrijpen we nog waarom een systeem bepaalde keuzes maakt? Hoe veilig zijn dergelijke systemen en hoe kwetsbaar zijn ze voor misbruik, sabotage en verstoringen? En hoe zorgen we ervoor dat belangrijke kennis niet verdwijnt wanneer besluitvorming steeds meer wordt geautomatiseerd?”

Bert Palsma

Programmamanager Waterketen en stedelijk water

Innovatief beheer leidingen en rwzi’s, zinvol gebruik van data

“De waterschappen staan voor een grote investeringsopgave in de waterketen. Transportleidingen en zuiveringen naderen het einde van hun technische levensduur. Ook de Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater brengt aanpassingen, uitbreidingen en nieuwe verplichtingen met zich mee.” Een belangrijk aandachtspunt hierbij is goed beheer, aldus Palsma.

“Met de juiste mensen, tijd voor training, leren, ervaringen uitwisselen, finetunen en het delen van do’s-and-don’ts gaan bestaande assets langer mee. Nieuwe en bestaande assets kunnen effectiever en efficiënter worden ingezet met de juiste aandacht en expertise. Je zou het innovatief beheer kunnen noemen: iets meer operationele uitgaven nu kunnen ervoor zorgen dat er later minder of minder grote investeringen nodig zijn. STOWA kan laten zien dat dergelijk vernieuwend beheer bijdraagt aan een effectievere en efficiëntere uitvoering van het waterschapswerk. Daarmee kunnen we de uitvoeringskracht van waterbeheerders ondersteunen.

Een punt van zorg zijn voor mij de datakerkhoven. We meten ons drie slagen in de rondte, zonder altijd na te gaan waarvoor we die data kunnen of moeten gebruiken. Er zijn veel ‘monitoringsmoetjes’: voor subsidies, voor Europa, voor Den Haag, voor vergunningen, et cetera. De eerste reden om te gaan meten moet zijn dat je een systeem wilt begrijpen, om te kunnen sturen, maatregelen af te wegen en te evalueren. De rapportages naar Den Haag en Brussel zijn dan bijvangst die je als het ware gratis kunt verzorgen.

Er werden en worden grote bedragen geïnvesteerd zonder dat er altijd voldoende aandacht is voor goede monitoring, evaluatie en bijsturing. Ook de afstemming tussen monitoring vanuit verschillende disciplines is nooit goed van de grond gekomen. En dat is zonde van veel geld en tijd.”

Michelle Talsma

Programmamanager Watersystemen

Energietransitie, netcongestie en de grenzen van het watersysteem

“Waar ik wakker van lig, is hoe we de mogelijkheden van het watersysteem beter kunnen benutten voor de energietransitie, zonder onze taken uit het oog te verliezen. Waterschappen willen graag bijdragen, bijvoorbeeld met aquathermie: het benutten van warmte en koude uit oppervlakte- en afvalwater.” Daar ligt volgens Talsma veel potentie, “maar de ontwikkeling van warmtenetten en andere collectieve systemen blijft achter. Bovendien moeten we goed kijken naar de effecten op waterkwaliteit, ecologie en het watersysteem.”

“Netcongestie wordt ook voor de waterschappen een steeds grotere opgave. We hebben elektriciteit nodig om onze gemalen te laten draaien en droge voeten te houden, terwijl de capaciteit op het net steeds schaarser wordt. Daar liggen overigens ook kansen. Met flexibel malen kunnen we gemalen bijvoorbeeld meer laten draaien als er veel duurzame elektriciteit beschikbaar is en het watersysteem dat toelaat. Zo kan het waterbeheer mogelijk bijdragen aan het ontlasten van het elektriciteitsnet. De uitdaging is om energie en waterbeheer veel meer in samenhang te bekijken, waarbij waterveiligheid en het goed functioneren van het watersysteem altijd voorop blijven staan.”

Mark van der Werf

Directeur STOWA

Impact vergroten, samen verant­woor­de­lijk­heid dragen

“Er zijn veel dingen die mij bezighouden. Onder andere de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat de kennis die we bij STOWA ontwikkelen nog meer wordt gebruikt. Ik zeg vaak: verandering gaat via de waterinhoud, maar wordt uiteindelijk gedragen door mensen.” Daarom moeten we volgens Mark van der Werf naast goede waterkennis ook beter leren begrijpen hoe we gedragsmatige en organisatorische hobbels kunnen verlagen.

“Iets nieuws toepassen vraagt van mensen dat ze uit hun comfortzone stappen. Maar een voorstel om iets anders te doen kan onbedoeld overkomen als kritiek: hebben we het dan al die jaren verkeerd gedaan?! Als we willen dat onze kennis wordt gebruikt, moeten we oog hebben voor zulke reacties en voor wat mensen nodig hebben om die nieuwe stap te zetten. Daarnaast vind ik dat we meer energie moeten steken in het kijken buiten onze eigen waterbubbel. In andere sectoren en landen is ontzettend veel kennis en ervaring te vinden waarvan we kunnen leren. Laten we daarom vooral de deuren openen!

Meer in het algemeen maak ik me zorgen over het gebrek aan gemeenschapszin in onze maatschappij. De vraag What’s in it for me, now? lijkt steeds meer de boventoon te voeren. Daarmee dreigt het besef naar de achtergrond te verdwijnen dat we samen verantwoordelijkheid dragen voor iets wat groter is dan ons eigen belang. Als mensen vinden we het lastig om offers op korte termijn af te wegen tegen winst op lange termijn. Omgekeerd kan wat ons nu voordeel oplevert, later grote maatschappelijke kosten veroorzaken. Duurzame keuzes vragen daarom om een langetermijnvisie én de bereidheid om vandaag iets te doen of te laten voor anderen en voor de generaties na ons.”

Fotorealistische illustratie van een door de maan verlichte slaapkamer met een klok die 3:50 uur toont.

Wat houdt waterprofessionals wakker over de toekomst?

Welke wateropgaven houden professionals die midden in het waterbeheer staan wakker? En wat moet er nú gebeuren om daar in STOWA ter Info 150, in 2038, een ander verhaal over te kunnen vertellen? Deskundigen uit de watersector kijken twaalf jaar vooruit. Ze zien grote opgaven rond droogte, waterkwaliteit, waterveiligheid en nieuwe stoffen. Maar ook rond ruimte, uitvoeringskracht en deskundigheid. En ze vertellen wat nodig is om vooruitgang te boeken: samenhang, samenwerking, kennis en bestuurlijke moed.

Waterprofessionals

Jeroen Essink

Beleidsadviseur Recreatie, Waterschap Rivierenland

Programmamanagers en directeur van STOWA

‘Hopelijk bleek de droogte van 2026 een kantelpunt’

‘De droogte van 2026 bleek een kantelpunt.’ Misschien opent zo in 2038 een artikel in editie 150 van STOWA ter gelegenheid van het volgende jubileum, denkt lector Klimaat en Water Ted Veldkamp. “Precies vijftig jaar na de historische droogte van 1976 werden we opnieuw geconfronteerd met langdurige droogte, lage rivierafvoeren en toenemende waterschaarste. Hopelijk constateren we in 2038 dat we toen niet alleen de crisis bestreden, maar ons watersysteem structureel anders zijn gaan inrichten. Dat is wat mij nu soms wakker houdt.

Ted Veldkamp
Lector Klimaat en Water Centre of Expertise HRTech van Hogeschool Rotterdam

“Zeker in de gebouwde omgeving zijn we nog altijd sterk georganiseerd rond het afvoeren van water, terwijl we datzelfde water tijdens droge perioden hard nodig hebben. Voor drinkwater, maar ook voor stedelijk groen, verkoeling en een gezonde leefomgeving. Een groenere, klimaatadaptieve stad kan alleen functioneren wanneer we ook nadenken over haar toekomstige watervraag.

Stedelijk watersysteem

Binnen Thirsty Cities onderzoeken we hoe droogte zich door het stedelijke watersysteem beweegt en welke gebruikers wanneer in de problemen komen. Dat verschilt sterk tussen regio’s. Bodem, grondwater, oppervlaktewater, rivierafvoer, verzilting, stedelijke inrichting en watervraag grijpen op elkaar in. Juist die samenhang moeten we beter begrijpen om eerder te kunnen handelen. De transitie vraagt bovendien om een andere omgang met water: besparen waar dat kan, regenwater vasthouden en verschillende waterstromen hergebruiken waar dat verantwoord is. Daarbij moeten kwaliteit en kwantiteit gezamenlijk worden bekeken. Niet iedere toepassing vraagt immers om drinkwaterkwaliteit. Van gebouw en straat tot wijk, stad en regionaal watersysteem moeten we water veel meer als voorraad gaan organiseren.

Mijn gewenste kop voor STOWA 150 is daarom: ‘Nederland wacht niet langer op droogte.’ We beschikken dan over goede indicatoren en vroegtijdige waarschuwingen, en we handelen vóórdat tekorten tot schade leiden. Droogte is onderdeel geworden van ruimtelijke planning, waterbeheer en crisisbeheersing. Maar daarvoor zijn ook mensen nodig. Terwijl de wateropgaven groeien, staan wateropleidingen voor teruglopende studentenaantallen. Misschien is dát wel de meest urgente randvoorwaarde voor 2038: voldoende jonge professionals opleiden die waterkwaliteit, waterkwantiteit, ruimte, techniek en samenleving met elkaar kunnen verbinden. Want een waterbewuste samenleving vraagt uiteindelijk niet alleen om een ander watersysteem, maar ook om voldoende mensen die dat systeem kunnen veranderen.”

‘We moeten waterproblemen veel meer in samenhang oplossen’

“Eeuwenlang hebben we ervoor gezorgd dat we het water de baas werden en in onze delta droge voeten hielden. Tegelijkertijd zijn we erin geslaagd om alle inwoners constant te voorzien van een bijna ongelimiteerde hoeveelheid veilig en lekker kraanwater, dat we en passant ook gebruiken voor allerlei andere toepassingen.” Onze goede drinkwatervoorziening in combinatie met een goed afvalwatersysteem levert volgens KWR-onderzoeker Roberta Hofman een positieve bijdrage aan onze gezondheid en levensverwachting. Maar dat mooie systeem staat volgens haar wel op allerlei manieren onder druk.

Roberta Hofman

Onderzoeker KWR

“Vanwege klimaatverandering krijgen we te maken met pieken van te veel en lange periodes met te weinig water. Die leven grotere problemen, doordat we meer nodig hebben vanwege bevolkingsgroei, industriële activiteiten, datacentra en landbouw. Als er minder water beschikbaar is, nemen de concentraties aan verontreinigingen toe, wat nog verergerd wordt door bijvoorbeeld de vergrijzing. Die zorgt voor toenemende concentraties geneesmiddelen in ons afvalwater en milieu.

Problemen in samenhang bekijken

Een oplossing voor deze problemen ontwikkelen kan alleen als we alle problemen in samenhang bekijken. Het meeste drinkwater wordt in Nederland geproduceerd uit grondwater. Maar vanwege de lagere grondwaterstanden kijken de drinkwaterbedrijven nu ook meer en meer naar andere bronnen. Oppervlaktewater is soms wel beschikbaar, maar is zo ernstig vervuild dat het lastig is hier goed drinkwater van te maken. Dat probleem zouden we eigenlijk bij de bron moeten aanpakken: zorgen dat het oppervlaktewater voldoet aan de Kaderrichtlijn Water, maar dat vraagt weer om andere maatregelen. Het beperken van lozingen betekent ook dat we onze afvalwaterzuiveringen verder uitbreiden. STOWA financiert al jaren uitgebreide onderzoeksprogramma’s naar verschillende methoden om afvalwater beter te zuiveren, en ook KWR Water Research Institute is hier vaak bij betrokken. De technieken die ontwikkeld zijn voor de behandeling van drinkwater, zijn vaak ook toepasbaar voor afvalwater, met de kanttekening dat ze in die lastige matrix extra aanpassingen vragen.

Goede oplossingen voor microverontreinigingen

Op dit moment is PFAS een onderwerp dat veel waterbehandelaars wakker houdt. Dat betekent echter ook dat er wereldwijd met man en macht aan oplossingen gewerkt wordt, en er gelobbyd wordt voor een beperking van de productie en het gebruik ervan. Hopelijk leidt dat ertoe dat we tegen 2038 dat probleem in elk geval beheersbaar hebben gemaakt. En ook voor allerlei andere organische microverontreinigingen in afval- en drinkwater, zoals pesticiden en geneesmiddelen, zijn tegen die tijd waarschijnlijk goede oplossingen beschikbaar om te voorkomen dat ze in het milieu en daarmee in onze drinkwaterbronnen terechtkomen.

Het is lastig te voorspellen welke problemen er echter tegen 2038 zullen spelen. Net zoals we twintig jaar geleden PFAS nog niet goed konden analyseren, en dus niet wisten dat we een probleem aan het creëren waren, zullen er tegen die tijd weer nieuwe verbindingen opduiken die erg handig lijken in het gebruik, maar ons bij nader inzien voor uitdagingen zullen stellen. De toename van accu’s in onze samenleving zou bijvoorbeeld nieuwe problemen kunnen veroorzaken door toenemende gehaltes lithium (en PFAS) in oppervlaktewater. Bovendien wil Europa meer zelfvoorzienend worden, en dus inzetten op eigen mijnbouw, wat ongetwijfeld voor nieuwe uitdagingen in het aquatisch milieu gaat zorgen. Daarnaast zien we dat klimaatverandering via verdroging en zeespiegelstijging zorgt voor verzilting van ons oppervlakte- en grondwater. Ook dit gaat uitdagingen opleveren voor drinkwaterbedrijven en waterschappen. Terugwinning en hergebruik van grondstoffen zullen steeds belangrijker worden. Tot slot is het de vraag of we voldoende water houden, of toch niet meer moeten gaan inzetten op hergebruik, en bijvoorbeeld afvalwater gaan zuiveren tot industriewater of zelfs drinkwater.

Invloed AI

Een thema dat nu erg in opkomst is, maar waarvan we de reikwijdte nog niet kunnen inschatten, is de invloed van AI. Computermodellen zullen ons steeds beter kunnen helpen om de waterkwantiteit en -kwaliteit, en de effecten van (nieuwe) zuiveringsprocessen te voorspellen, al zullen praktijktesten met water altijd nodig blijven.

Het vinden van oplossingen voor de problemen in ons watersysteem zal veel vragen van alle Nederlanders. Mensen moeten zich bewust worden van de problematiek en verstandiger omgaan met water. Maar tegelijkertijd zullen de nieuwe oplossingen geld kosten, en is er draagvlak nodig onder de bevolking voor de investeringen en bijvoorbeeld het ruimtebeslag dat dit zal vergen. Voor STOWA betekent dit dat er niet alleen gekeken moet worden naar technische aspecten om afvalwater steeds schoner te maken, maar ook naar welke toepassingen er voor dit schonere water mogelijk zijn, en hoe je daar draagvlak voor creëert bij de bevolking.

Water houdt zich niet aan provincie-, lands- of waterschapsgrenzen, en dit alles zal betekenen dat drinkwaterbedrijven, waterschappen en de industrie meer zullen moeten gaan samenwerken, ook internationaal. Dat versterkt niet alleen het onderzoek, maar kan er ook voor zorgen dat oplossingen op grotere schaal geïmplementeerd worden. Onderzoekers kunnen prima samenwerken in allerlei projecten, zoals STOWA-projecten en de WICE-projecten van KWR (Water In the Circular Economy, red.) mooi laten zien. Maar om de resultaten succesvol in de praktijk te brengen, is het nodig dat er een breed draagvlak ontstaat, en dat alle spelers in het watersysteem goed samenwerken.”

‘We moeten opnieuw leren wonen met water’

“De Nederlandse cultuur en ruimtelijke ordening zijn direct af te leiden van de gezamenlijke strijd tegen het water. We hebben elkaar nodig. Zeker in de toekomst, omdat het veranderende klimaat druk zet op het hydrologische systeem,” aldus professor Fransje Hooimeijer. Het op orde brengen van het land voor bewoning is volgens haar volledig gericht op het managen van het water. “Maar als dit in de toekomst moeilijk wordt, waar kunnen we dan nog wonen? Maar vooral ook: hoe kunnen we dan wonen? Dit gaat een systeem- en cultuurverandering veroorzaken die impact heeft op hoe we bouwen, financieren en leven.”

Fransje Hooimeijer

Professor Delta Urbanism TU Delft

“Het ideaalbeeld van een doorzonwoning staat nu al op de helling; er is domweg geen ruimte meer om zo te wonen. De ratio tussen stad en land wordt in de toekomst steeds belangrijker om een gezond watersysteem te behouden. Dus de steden worden voller, met technologische hulp om water te besparen en te maken, met slimme ontwerpen die ook nog in open bodem voorzien voor infiltratie en het nodige groen om de stad te koelen. Water en bodem zullen op systeemniveaus sturend moeten zijn in het herontwerp van de stad.

Zoet water vasthouden

Ten aanzien van de kustbescherming zullen we dijkring 14 te allen tijde moeten handhaven, want daar ligt het hart van onze economie. Tegelijkertijd is het dom om het zoete water van de rivier weg te laten stromen in zee, dus we moeten zoveel mogelijk zoet water gaan vasthouden binnen dijkring 14. Het wordt daarbinnen een waterlandschap, noodzakelijk om er te kunnen blijven wonen, en alle landbouw zal naar hoger gelegen Nederland moeten verhuizen. In het natte landschap zullen nog wel kleine kernen zijn en mensen wonen daar veel letterlijker met het water. Hetzelfde geldt voor gebieden die we anders gaan programmeren, meer dynamisch met het water en een andere agrarische productie, afgestemd op de kosten van het watersysteem voor de maatschappij.

Deze nieuwe verhouding met ons landschap zorgt voor veel ruimtelijke kwaliteit en een duurzamere manier van wonen. Het vraagt om andere organisatie- en financieringsmodellen die we kunnen opbrengen, omdat het wonen in een delta gewaardeerd wordt. We waarderen land als bodem en water als productief gebied; dat wordt niet los gezien (zoals nu) van de functie die het vervult voor ons gebruik.

Dat betekent dat STOWA een belangrijke rol heeft in de ruimtelijke ordening van de toekomst om het wonen met het water, landbouw en waterbeheer systematisch met elkaar te verbinden op basis van de natuurlijke waarde van water- en bodemsystemen.”

‘STOWA kan de samenhang tussen opgaven agenderen’

“Als je twaalf jaar terugkijkt, zie je dat veel thema’s die toen speelden nog steeds op de agenda staan. Wanneer je de nota’s uit die tijd doorbladert, zoals het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren, zie je dezelfde onderwerpen terugkomen”, aldus Marcel Tosserams. Als voorbeelden noemt hij de gevolgen van klimaatverandering, ruimtegebruik, uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat door de landbouw, maar ook de aanwezigheid van chemische stoffen in het water en ecologisch herstel.

Marcel Tosserams

Topadviseur Waterkwaliteit en Natuur Rijkswaterstaat

“Vandaag de dag zijn we er nog steeds volop mee bezig. Maar de context is wel veranderd. In 2014 lag de focus op het verbeteren van de waterkwaliteit. Dat is voor de komende jaren nog altijd van belang, waarbij tegelijkertijd de bescherming van waterkwaliteit en natuur binnen de grenzen van het systeem steeds belangrijker wordt. De klimaatverandering maakt dat we vaker met langere periodes van droogte en extreme neerslag te maken krijgen. Dat zet de waterkwaliteit onder druk. Bij lage afvoeren is er minder water om verontreinigende stoffen te verdunnen, waardoor de concentraties, maar ook de watertemperatuur stijgen. Ook komen er steeds meer nieuwe stoffen in het water terecht. RWS verwacht dat we het in 2038 niet meer specifiek over PFAS hebben, maar over een veel breder palet aan nieuwe en opkomende stoffen. Er worden voortdurend nieuwe stoffen ontwikkeld. Je kunt dan ook niet eindeloos iedere stof afzonderlijk blijven meten, beoordelen en reguleren. We bewegen van meten van specifieke stoffen naar breder monitoren, beoordelen en sturen.

Anders monitoren

Deze ontwikkeling maakt het noodzakelijk om anders te gaan monitoren. Denk aan non-target screening, waarbij je veel breder kijkt welke stoffen in het water aanwezig zijn. Denk aan effectgerichte monitoring: wat doet het totale mengsel van stoffen met het waterleven, en wat betekent dit voor de verschillende gebruiksfuncties die van schoon water afhankelijk zijn? Vervolgens kun je gerichter onderzoeken welke stoffen het meest bijdragen aan de toxische druk (zie ook www.sleutelfactortoxiciteit.nl, red.). Daar ligt een belangrijk kennisvraagstuk waarbij STOWA een rol kan spelen.

Met de Europese Natuurherstelverordening worden de verplichtingen voor natuurherstel steviger. Daar komen andere verplichtingen en transities nog bovenop. De energietransitie kan bijvoorbeeld nieuwe risico’s voor de waterkwaliteit opleveren, bijvoorbeeld door toename van het gebruik van waterstof, ammoniak en alternatieve scheepsbrandstoffen. Ook de circulaire economie brengt nieuwe afval- en reststromen met zich mee. We weten nog lang niet altijd wat daarvan de consequenties zijn.

Keuzes maken

Al deze ontwikkelingen grijpen op elkaar in. Waterkwaliteit kun je niet meer loszien van klimaat, natuur, gezondheid, energie, drinkwatervoorziening en ruimtelijke ordening. De ruimte wordt schaarser en er komen steeds meer functies bij. Niet alles kan meer. De politiek zal dus keuzes moeten maken: waarvoor gebruiken we het beschikbare water, wie krijgt voorrang en welke kwaliteit vinden we daarbij noodzakelijk? Hiervoor is en blijft (inter)nationale samenwerking een belangrijke voorwaarde.

Voor STOWA betekent dit dat de kennisagenda niet alleen technisch-inhoudelijk moet zijn. We weten al heel veel over de relaties tussen klimaat-waterkwaliteit, AI, sensoren, eDNA en digital twins, om maar een paar voorbeelden te noemen. De uitdaging van 2038 is niet één probleem. Klimaatverandering, waterkwaliteit, natuur, energietransitie en ruimtedruk drukken tegelijkertijd op hetzelfde systeem. Tegelijkertijd hebben we te maken met schaarstes die de uitvoeringskracht raken. Dat vraagt om kennisontwikkeling en samenwerking in de volle breedte. Op technisch-inhoudelijk, ruimtelijk, maar ook op socio-economisch, organisatorisch en bestuurlijk vlak. STOWA kan helpen die samenhang vroegtijdig te agenderen en daarmee tijdig handelen mogelijk te maken. Daarbij gaat het ook om de vraag hoe verantwoordelijkheden en eigenaarschap worden georganiseerd en hoe verschillende, soms overlappende beleidsopgaven beter met elkaar kunnen worden verbonden.”

‘STOWA kan helpen de uitvoeringskracht te organiseren’

Klimaatverandering, cyberdreigingen en een tekort aan geld, mensen en kennis stellen het waterkeringbeheer de komende jaren voor ingrijpende keuzes. Volgens Alex Roos, technisch manager van het programma Rijkskeringen bij Rijkswaterstaat, kan STOWA helpen door te onderzoeken hoe de waterschappen hun uitvoeringskracht organiseren.

Alex Roos

Technisch manager programma Rijkskeringen Rijkswaterstaat

Volgens Roos moeten we het watersysteem in Nederland op een andere manier inrichten. De lange periode van droogte in 2026 benadrukt de urgentie. Nederland is er lang aan gewend geweest waterproblemen met pompen en stuwen op te lossen. Die vanzelfsprekendheid verdwijnt. Als er nauwelijks water via de Rijn binnenkomt, valt er ook niets meer te verdelen. Tegelijkertijd voeren we in de winter nog veel water af, terwijl de problemen door droogte in de zomer steeds groter worden. We moeten volgens Alex Roos daarom opnieuw nadenken over waar en hoe we water langer kunnen vasthouden. Hij waarschuwt dat modellen niet blindelings kunnen worden gevolgd. Ze zijn grotendeels gebaseerd op ervaringen uit het verleden, terwijl het klimaat sneller verandert dan de modellen voorspellen.

Kwetsbare waterkeringen

Een tweede zorg is de weerbaarheid van waterkeringen. Deze zijn afhankelijk van elektriciteit. Maar wat als de elektriciteitsvoorziening langdurig uitvalt door een cyberaanval? “Dan heb je een aggregaat nodig. Moeten we dan overal aggregaten gaan plaatsen?” Cyberveiligheid en weerbaarheid gaan de komende jaren nog veel meer aandacht krijgen, verwacht Roos. “De hacktechnologie ontwikkelt zich snel. Wat betekent dit in 2038 voor de veiligheid van onze stormvloedkeringen? Kunnen we ze dan nog wel veilig beheren? Dat vind ik lastig te voorspellen.” Cyberveiligheid blijft volgens Roos een voortdurende wedloop. Kwaadwillenden ontwikkelen steeds nieuwe methoden om te hacken. Ook desinformatie kan voor paniek zorgen. “Bijvoorbeeld als mensen een sms krijgen dat er een overstroming plaatsvindt, terwijl dat niet het geval is.”

Uitvoeringskracht onder druk

Minstens zo urgent is het gebrek aan geld, deskundigheid en uitvoeringscapaciteit. Rijkswaterstaat heeft door reorganisaties veel kennis verloren. Een deel daarvan werd bij de markt belegd, maar daarmee verdween volgens Roos ook intern eigenaarschap. Als voorbeeld noemt hij de ongeveer zestig kilometer aan regionale keringen die versterkt moeten worden. Rijkswaterstaat probeert al twee jaar een uitvoeringsteam voor die opgave samen te stellen. “We kunnen als waterkeringbeheerder niet alle taken volledig uitvoeren. Qua deskundigheid en capaciteit zijn we er nog niet.”

Meer centrale regie

Volgens hem kan STOWA helpen door te onderzoeken hoe de waterschappen hun uitvoeringskracht organiseren. Sommige waterschappen beschikken bijvoorbeeld over eigen mensen om sluisdeuren meteen te kunnen repareren als ze door een aanvaring zijn beschadigd. Ze hoeven geen aanbesteding in de markt te zetten, maar hebben de uitvoeringskracht zelf in huis. “Hier krijg je via het STOWA-netwerk meer inzicht in. En dat is ook relevant voor Rijkswaterstaat. Wij besteden inspecties van waterkeringen vaak uit aan aannemers, terwijl bij waterschappen de eigen medewerkers de dijken controleren.” Door de werkwijzen met elkaar te vergelijken, kan duidelijk worden welke organisatievorm het beste beheer oplevert. De kracht zit voor hem ook in het STOWA-netwerk en de bijeenkomsten. Daar gaan kennis en praktijkervaring leven en worden ze daadwerkelijk toegepast. Voor 2038 verwacht hij dat er meer centrale regie en samenwerking nodig is om het waterbeheer goed te organiseren. Grote ingrepen, zoals dijkversterkingen, raken vrijwel altijd tegengestelde belangen en kunnen door langdurige procedures langdurig vertraging oplopen. “Rijk, provincies en waterschappen zitten in hetzelfde schuitje. We moeten samenwerken om de waterbeheersvraagstukken op te lossen, maar er is ook iemand nodig die uiteindelijk zegt: dit moeten we nu gaan doen.”

‘Zonder bestuurlijke moed lossen we de wateropgaven niet op’

“Wat zich in 2038 kan wreken, is dat we in 2026 geen visie hadden op het land waarin we willen wonen en onze kinderen en kleinkinderen willen laten opgroeien,” zegt hoogleraar Europees en nationaal waterrecht Marleen van Rijswick. Er wordt veel onderzocht, gepraat, overlegd en geparticipeerd, maar pijnlijke keuzes in het algemeen belang worden volgens haar onvoldoende gemaakt.

Marleen van Rijswick

Hoogleraar Europees en nationaal waterrecht Universiteit Utrecht

“Ik vrees dat de macht van lobbygroepen de democratische besluitvorming in het algemeen belang nog sterker zal ondermijnen dan nu. Kortetermijnbelangen van bepaalde sectoren kunnen, zonder respect voor regels en rechtsstaat en desnoods met geweld, de veiligheid en toegankelijkheid van voldoende schoon water voor alle burgers onder druk zetten. Het vertrouwen in de overheid, dat altijd groot was als het om waterbeheer ging, kan verder afbrokkelen als rechtvaardigheid in het beleid ontbreekt. De vervuiler en de gebruiker betalen niet of onvoldoende. Ecosystemen worden vernietigd, of kunnen zich niet meer herstellen.”

Chemische stoffen blijven een probleem

“Waterveiligheid zal altijd een opgave blijven, maar met de kennis waar Nederland om bekendstaat, kunnen we Nederland veilig houden. In 2038 gebeurt dat hopelijk met een mix van grijze en natuurgebaseerde oplossingen. Veel moeilijker op te lossen is de mix en cumulatie van chemische stoffen die de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater aantasten. Die stoffen zullen in de hele voedselketen, het drinkwater en onze lichamen terug te vinden zijn. Daarnaast zijn waterbewustzijn en weerbaarheid een absolute noodzaak. Het belang van gezonde ecosystemen voor mens en natuur wordt nog altijd onderschat, terwijl iedereen ervan afhankelijk is. Ook de veiligheid van ons watersysteem, inclusief de kunstwerken, tegen digitale aanvallen en cybercrime wordt een grote opgave.”

Bestuurlijke moed is de grootste onzekerheid

“De impact van klimaatverandering zal steeds groter worden en de samenleving onder druk zetten. Tegen 2038 zullen de meeste babyboomers er niet meer zijn en is er wellicht een tekort aan voldoende geschoold personeel, tenzij we welwillender tegenover buitenlandse werknemers staan en jonge mensen binnen organisaties opleiden.”

“De grootste onzekerheid zit voor mij in bestuurlijke moed, standvastige uitvoering en handhaving, en in democratische besluitvorming in het algemeen belang. Zal de wal het schip van het kortetermijndenken keren? Is een echte transitie op tijd mogelijk? Kunnen we samenwerken in plaats van steeds meer conflicten en tegenstellingen te creëren?”

“Daarbij moeten we veel beter kijken naar de relatie tussen de eigen taak en verantwoordelijkheid van partijen enerzijds en hun afhankelijkheid van andere publieke en private partijen aan de andere kant. Dat vraagt om een eerlijk en genuanceerd verhaal. Als de één niet betaalt of steeds royaal wordt gecompenseerd, bij wie wordt de rekening dan neergelegd? Als alles vrijwillig moet, wie draagt dan de gevolgen als dat niet effectief blijkt te zijn? De overheid en waterbeheerder kunnen de problemen niet alleen oplossen en zouden zeker niet de kortetermijnbelangen van de politieke achterban voorop moeten stellen. De vraag is hoe we sectorale belangen zo kunnen coördineren, dat de samenleving als geheel er zoveel mogelijk voordeel van heeft.”

Waterbeheer anders organiseren

“Hoe ik hoop dat het waterbeheer er in 2038 uitziet? Indirecte lozingen vallen dan weer onder de bevoegdheid van de waterbeheerder. Bij verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit hoort immers ook de bevoegdheid om lozingen te reguleren, te beheren en te handhaven. Ook het grondwaterbeheer is dan een bevoegdheid van de waterbeheerder. Waterschappen en regionale directies van Rijkswaterstaat zijn samengevoegd op basis van deelstroomgebieden.”

“Landbouw en Visserij vallen onder het ministerie van Economische Zaken. Klimaat, natuur, ruimtelijke ordening, milieu en water zijn ondergebracht bij een ministerie van Leefomgeving. Normstelling is gebaseerd op wat mens en milieu aankunnen en normen zijn goed op elkaar afgestemd, binnen planetaire en duurzaamheidsgrenzen.”

“Ook de terugwinning van kosten voor waterdiensten is eindelijk goed geregeld, met bestemmingsheffingen voor diffuse lozingen en watergebruik. Het toekennen van rechten aan rivieren is niet meer nodig, omdat rivieren en de natuur voldoende worden beschermd door adequate regelgeving en handhaving. Dat wordt ondersteund door een breed gedeeld verantwoordelijkheidsbesef bij burgers en bedrijven. Iedereen realiseert zich dat deze randvoorwaarden voor het leven beschermd moeten worden.”

Multidisciplinaire kennis

“Voor STOWA ligt er richting 2038 vooral een opgave om te investeren in multidisciplinair onderzoek. Deze vraagstukken kunnen niet met monodisciplinaire kennis worden opgelost. Dat vraagt de bereidheid om van elkaar te leren, elkaars kennis te respecteren en praktisch samen aan de slag te gaan. Wat kennisdoorwerking betreft, vind ik dat STOWA het nu al goed doet. Wellicht kan de organisatie haar kennis niet alleen onder vakgenoten verspreiden, maar ook onder een groter publiek, om zo het waterbewustzijn te vergroten.”

‘Waterrecht blijft in beweging richting 2038’

In de juridische literatuur zijn er in de loop der jaren meerdere (Europese) ‘golven’ van waterwetgeving te onderscheiden. De KRW luidde de derde golf in. Deze richtlijn is in 2038 bijna veertig jaar oud. Omdat er nog steeds nieuwe uitdagingen voor de waterkwaliteit bijkomen, onder meer in de vorm van nieuwe schadelijke stoffen, zal de KRW vermoedelijk ook dan nog relevant zijn, aldus KRW-onderzoeker Tessa Rotscheid.

Tessa Rotscheid

Promovenda Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law

“In 2039, een jaar later, moet bovendien voor een groep nieuw genormeerde stoffen aan de normen worden voldaan. Hopelijk is het niet nodig om voor die stoffen een beroep op een uitzonderingsgrond te doen, maar de vraag is of dat reëel is. Bovendien zijn de (aan strikte voorwaarden gebonden) uitzonderingsgronden er niet voor niks, en zijn er soms gegronde redenen waarom doelen niet (op tijd) worden gehaald.

Als de focus op (toekomstige) ontwikkelingen in de implementatie van de KRW ligt, dan valt verder op dat er de laatste tijd veel aandacht is voor een betere afstemming van de eisen uit de KRW op andere beleidsterreinen, zoals de landbouw. Ook op andere terreinen, denk bijvoorbeeld aan de productregelgeving en bouwregelgeving, is er nog ruimte voor verbetering. Misschien lukt dit niet allemaal in de komende jaren, maar hopelijk zijn er voor 2038 al wel stappen in de goede richting gezet.

Mogelijk begeven we ons richting 2038 naar weer een nieuwe ‘golf’ van waterwetgeving. Wat die ‘golf’ precies zal inhouden, is lastig te voorspellen. Als de vraag naar een mogelijke nieuwe ‘golf’ waterwetgeving breder wordt getrokken dan alleen de implementatie van de KRW en de waterkwaliteit, dan zijn er ook andere watergerelateerde uitdagingen die de komende jaren (meer) aandacht vragen. Denk aan circulair waterbeheer, het omgaan met (langere) periodes van droogte en de verdelingsvraagstukken die daarmee gepaard gaan. Ook op die terreinen zal het waterrecht zich verder ontwikkelen. De ene uitdaging is daarmee nog niet weggeëbd, en de volgende uitdaging dient zich alweer aan.”

‘We moeten nu schakelen en niet wachten tot het te laat is’

“Er is in de huidige samenleving genoeg om wakker van te liggen. Als ik naar het Nederlandse waterbeheer kijk, maak ik me vooral zorgen over ons onvermogen om keuzes te maken en die ook daadwerkelijk uit te voeren, aldus beleidsadviseur Jeroen Essink. Het stikstofdossier is daarvan volgens hem een goed voorbeeld: “Het speelt al decennia, maar echte oplossingen blijven uit.”

Jeroen Essink

Beleidsadviseur Recreatie, Waterschap Rivierenland, en lid Waterwegen

“De problemen rond waterbeschik­baarheid worden steeds zichtbaarder. Ook de waterkwaliteit blijft achter, ondanks alle inspanningen voor de Kaderrichtlijn Water. Ook op het gebied van waterkwantiteit zetten we maar mondjesmaat stappen. Droogte zal vaker voorkomen, net als perioden met extreme wateroverlast. Toch lijkt het besef dat we daarmee moeten leren omgaan maar langzaam door te dringen, zowel in de samenleving als in Den Haag. Terwijl juist daar soms harde en pijnlijke keuzes nodig zijn.

Water is een schaars goed

Tijdens de huidige droogte wordt met man en macht geprobeerd om water op peil te houden en verzilting tegen te gaan. Tegelijkertijd gebruiken we water nog vaak alsof het onbeperkt beschikbaar is. We douchen lang en sproeien onze tuinen met drinkwater, ook als de regenton leeg is. We vergeten hoe bijzonder het is dat gezond en schoon water voor ons zo vanzelfsprekend beschikbaar is.

Maar water is een schaars goed. Dat geldt voor ons drinkwater, dat onder druk staat door onder meer verzilting en de kwaliteit van onze rivieren, maar ook voor het oppervlaktewater waarin we willen zwemmen en verkoeling zoeken zonder daarvan ziek te worden.

Krachtiger signaal

Als ik vooruitkijk naar 2038, hoop ik dat waterschappen en drinkwaterbedrijven daarover tegen die tijd gezamenlijk een veel krachtiger signaal afgeven. We maken nu een van de grootste droogteperioden sinds het begin van de metingen mee en toch horen we dat het met de drinkwatervoorziening goed gaat. Maar voor hoelang? We moeten nu schakelen en niet wachten tot het te laat is.

Daarbij moeten we verder kijken dan Nederland. Bescherming van water is een Europese opgave. Maak afspraken over zowel kwaliteit als kwantiteit, zodat we als Europese landen de lusten én de lasten gezamenlijk dragen.”

Van kennis naar handelen en verbinding tussen doelen

Voor programmamanager Waterkwaliteit en Ecologie Tessa van der Wijngaart zit de grootste zorg niet zozeer in een gebrek aan kennis. Over veel problemen met waterkwaliteit en aquatische ecologie is al best veel bekend. De uitdaging is om die kennis daadwerkelijk te laten stromen en om te zetten in handelen. Waar zitten de hobbels nu precies? Dat vraagt volgens haar ook aandacht voor de menselijke en sociale kant van waterbeheer.

Tessa van der Wijngaart

Programmamanager Waterkwaliteit

“We hebben al veel inhoudelijke kennis over waterkwaliteit en ecologie in huis, maar handelen daar nog onvoldoende naar. We weten bijvoorbeeld veel over de grote hoeveelheid voedingsstoffen en milieuvreemde stoffen die in ons water terechtkomen. De vraag is: wanneer gaan we die kennis echt omzetten in actie? Als dat onvoldoende gebeurt, ben ik bang dat de natuur onder water verder achteruitgaat, met een lagere biodiversiteit en slechtere waterkwaliteit tot gevolg. Dat heeft uiteindelijk ook gevolgen voor de functies die oppervlakte- en grondwater voor mensen vervullen.

Een concreet voorbeeld is de samenhang tussen de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Natura 2000. Maatregelen die vanuit het ene doel wenselijk zijn, kunnen het andere juist in de weg zitten. Zo kan voedselrijk, troebel water in laagveenmoerassen gunstig zijn voor bepaalde moerasvogels, terwijl voor de KRW vaak juist helder water gewenst is. In het rivierengebied kan het verwijderen van stenen bijdragen aan de KRW-doelen, terwijl die stenen tegelijkertijd stroomdalgrasland beschermen. STOWA werkt daarom aan een handreiking om beide opgaven beter te integreren in natuur- en waterbeheer.”

Ruimte voor water­veiligheid, de bever en crisiscapaciteit

“Door klimaatverandering en bodemdaling zullen onze dijken en duinen in de nabije toekomst steeds hoger moeten worden. En hoger betekent ook breder, aldus Oscar van Dam. Maar daar is volgens hem steeds minder ruimte voor, want naast waterveiligheid leggen andere relevante maatschappelijke opgaven ook claims op de ruimte: woningbouw, recreatie, natuurontwikkeling, landbouw en industrie: “Sommige functies kunnen zeer goed worden gecombineerd door meervoudig ruimtegebruik, andere zijn lastiger.”

Oscar van Dam

Programmamanager Waterveiligheid

“De bever heeft een spectaculaire comeback gemaakt na de herintroductie in 1988. Het dier hoort in Nederland, is een echte waterbouwer en is zeer goed voor de biodiversiteit. Maar de bever graaft ook op plekken waar we dat echt niet willen: in dijken en onder (spoor)wegen. STOWA heeft samen met Rijkswaterstaat, ProRail, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen, in samenwerking met Zodion (vh. de Zoogdiervereniging, red.) het Kenniscentrum Bever opgericht. Hierin bundelen we alle kennis, werken we samen en zetten we nieuw onderzoek uit. Zo wordt op dit moment ook aan een landelijke beveraanpak gewerkt.

Een (bijna)overstroming is een crisis, zoals in de zomer van 2021 langs de Maas. Deze crisis hebben we ternauwernood kunnen afwenden, onder andere door de inzet van Defensie. We kunnen echter niet te allen tijde rekenen op de inzet van Defensie wanneer de dreiging aan de oostgrens van de NAVO toeneemt. Hoe hebben we toch voldoende handjes beschikbaar om een toekomstige watercrisis te bemensen?”

Waterkwaliteit, grondstoffen en AI

Slagen we erin duurzame oplossingen te vinden voor de waterkwaliteit en de rol die rwzi’s daarbij spelen? Dat is een grote zorg van Cora Uijterlinde: “Stoffen zoals PFAS en andere microverontreinigingen blijven onze waterkwaliteit onder druk zetten. Tegelijkertijd worden droogte, hitte en extreme buien steeds normaler, waardoor het watersysteem veel robuuster moet worden dan nu.” De eisen die worden gesteld aan oppervlaktewater en effluent, worden volgens haar bovendien steeds hoger.

Cora Uijterlinde

Programmamanager Afvalwatersystemen

“Ik zie ook een grote uitdaging in het benutten van de grondstoffen die al aanwezig zijn in rioolwater. We werken hard aan circulariteit, maar de vraag is of we er daadwerkelijk in slagen in 2050 volledig circulair te zijn. Dat is immers de ambitie van de waterschappen. Ons rioolwater is een schatkamer met waardevolle grondstoffen. Het is de kunst ze op een goede manier te oogsten en opnieuw te gebruiken. En het is de uitdaging om circulair werken echt naar regulier werken te krijgen. Nu zit het vaak nog in de hoek ‘leuk’ in plaats van in de hoek ‘noodzakelijk’.

Een ander onderwerp dat mij bezighoudt, is de rol die digitalisering en AI speelt en nog gaat spelen in het zuiveringsbeheer. We passen steeds meer zelflerende systemen toe die continu voorspellen wat er gaat gebeuren in het riool, het influent en de zuiveringsprocessen. Tegelijkertijd roept dit nieuwe vragen op. Hoe afhankelijk willen we worden van algoritmen? Wie stuurt het algoritme? Begrijpen we nog waarom een systeem bepaalde keuzes maakt? Hoe veilig zijn dergelijke systemen en hoe kwetsbaar zijn ze voor misbruik, sabotage en verstoringen? En hoe zorgen we ervoor dat belangrijke kennis niet verdwijnt wanneer besluitvorming steeds meer wordt geautomatiseerd?”

Innovatief beheer leidingen en rwzi’s, zinvol gebruik van data

“De waterschappen staan voor een grote investeringsopgave in de waterketen. Transportleidingen en zuiveringen naderen het einde van hun technische levensduur. Ook de Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater brengt aanpassingen, uitbreidingen en nieuwe verplichtingen met zich mee.” Een belangrijk aandachtspunt hierbij is goed beheer, aldus Palsma.

Bert Palsma

Programmamanager Waterketen en stedelijk water

“Met de juiste mensen, tijd voor training, leren, ervaringen uitwisselen, finetunen en het delen van do’s-and-don’ts gaan bestaande assets langer mee. Nieuwe en bestaande assets kunnen effectiever en efficiënter worden ingezet met de juiste aandacht en expertise. Je zou het innovatief beheer kunnen noemen: iets meer operationele uitgaven nu kunnen ervoor zorgen dat er later minder of minder grote investeringen nodig zijn. STOWA kan laten zien dat dergelijk vernieuwend beheer bijdraagt aan een effectievere en efficiëntere uitvoering van het waterschapswerk. Daarmee kunnen we de uitvoeringskracht van waterbeheerders ondersteunen.

Een punt van zorg zijn voor mij de datakerkhoven. We meten ons drie slagen in de rondte, zonder altijd na te gaan waarvoor we die data kunnen of moeten gebruiken. Er zijn veel ‘monitoringsmoetjes’: voor subsidies, voor Europa, voor Den Haag, voor vergunningen, et cetera. De eerste reden om te gaan meten moet zijn dat je een systeem wilt begrijpen, om te kunnen sturen, maatregelen af te wegen en te evalueren. De rapportages naar Den Haag en Brussel zijn dan bijvangst die je als het ware gratis kunt verzorgen.

Er werden en worden grote bedragen geïnvesteerd zonder dat er altijd voldoende aandacht is voor goede monitoring, evaluatie en bijsturing. Ook de afstemming tussen monitoring vanuit verschillende disciplines is nooit goed van de grond gekomen. En dat is zonde van veel geld en tijd.”

Energietransitie, netcongestie en de grenzen van het watersysteem

“Waar ik wakker van lig, is hoe we de mogelijkheden van het watersysteem beter kunnen benutten voor de energietransitie, zonder onze taken uit het oog te verliezen. Waterschappen willen graag bijdragen, bijvoorbeeld met aquathermie: het benutten van warmte en koude uit oppervlakte- en afvalwater.” Daar ligt volgens Talsma veel potentie, “maar de ontwikkeling van warmtenetten en andere collectieve systemen blijft achter. Bovendien moeten we goed kijken naar de effecten op waterkwaliteit, ecologie en het watersysteem.”

Michelle Talsma

Programmamanager Watersystemen

“Netcongestie wordt ook voor de waterschappen een steeds grotere opgave. We hebben elektriciteit nodig om onze gemalen te laten draaien en droge voeten te houden, terwijl de capaciteit op het net steeds schaarser wordt. Daar liggen overigens ook kansen. Met flexibel malen kunnen we gemalen bijvoorbeeld meer laten draaien als er veel duurzame elektriciteit beschikbaar is en het watersysteem dat toelaat. Zo kan het waterbeheer mogelijk bijdragen aan het ontlasten van het elektriciteitsnet. De uitdaging is om energie en waterbeheer veel meer in samenhang te bekijken, waarbij waterveiligheid en het goed functioneren van het watersysteem altijd voorop blijven staan.”

Impact vergroten, samen verant­woor­de­lijk­heid dragen

“Er zijn veel dingen die mij bezighouden. Onder andere de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat de kennis die we bij STOWA ontwikkelen nog meer wordt gebruikt. Ik zeg vaak: verandering gaat via de waterinhoud, maar wordt uiteindelijk gedragen door mensen.” Daarom moeten we volgens Mark van der Werf naast goede waterkennis ook beter leren begrijpen hoe we gedragsmatige en organisatorische hobbels kunnen verlagen.

Mark van der Werf

Directeur STOWA

“Iets nieuws toepassen vraagt van mensen dat ze uit hun comfortzone stappen. Maar een voorstel om iets anders te doen kan onbedoeld overkomen als kritiek: hebben we het dan al die jaren verkeerd gedaan?! Als we willen dat onze kennis wordt gebruikt, moeten we oog hebben voor zulke reacties en voor wat mensen nodig hebben om die nieuwe stap te zetten. Daarnaast vind ik dat we meer energie moeten steken in het kijken buiten onze eigen waterbubbel. In andere sectoren en landen is ontzettend veel kennis en ervaring te vinden waarvan we kunnen leren. Laten we daarom vooral de deuren openen!

Meer in het algemeen maak ik me zorgen over het gebrek aan gemeenschapszin in onze maatschappij. De vraag What’s in it for me, now? lijkt steeds meer de boventoon te voeren. Daarmee dreigt het besef naar de achtergrond te verdwijnen dat we samen verantwoordelijkheid dragen voor iets wat groter is dan ons eigen belang. Als mensen vinden we het lastig om offers op korte termijn af te wegen tegen winst op lange termijn. Omgekeerd kan wat ons nu voordeel oplevert, later grote maatschappelijke kosten veroorzaken. Duurzame keuzes vragen daarom om een langetermijnvisie én de bereidheid om vandaag iets te doen of te laten voor anderen en voor de generaties na ons.”

STOWA Publicaties

Hier vindt u de digitale uitgaven van STOWA waaronder het digitale magazine Ter Info.
Volledig scherm