Deze publicatie maakt gebruik van cookies

We gebruiken functionele en analytische cookies om onze website te verbeteren. Daarnaast plaatsen derde partijen tracking cookies om gepersonaliseerde advertenties op social media weer te geven. Door op accepteren te klikken gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.

Keerpunten en koerswijzigingen in wateronderzoek

Al meer dan dertig jaar presenteert STOWA ter Info kennis en innovaties die voortvloeien uit onderzoek van waterschappen, in samenwerking met provincies en andere partijen. We vroegen drie mensen met de nodige ‘waterbagage’ – Peter Glas, Annemieke Nijhof en Herman Havekes – om terug te blikken. Zagen ze belangrijke koerswijzigingen? Wat waren keerpunten?

1970

Jaren ’70-’80

Er is méér dan civiele techniek

Peter Glas: “In de jaren ’50 en ’60 lag de focus in wateronderzoek nog echt op dijken, sluizen en zuiveringen, op staal en beton. Het is moeilijk een precieze datum te hangen aan het besef dat wateronderzoek meer is dan civiele techniek. Dat niet alleen ingenieurs met water bezig moeten zijn. De Rijnvervuiling, het schuim op de Dommel en later de Sandozramp zorgden voor meer aandacht voor ecologie en natuur. In 1970 kwam ook de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor mij was het rapport van de Club van Rome in 1972 het keerpunt. Dat deed me als zestienjarige met grote interesse in water en bètavakken besluiten biologie te gaan studeren. Begin jaren ’80 kwam de term ‘integraal waterbeheer’ op. Ik had al vaak ‘alfa + bèta + gamma = delta’ geroepen; vanaf toen voelde ik me minder een roepende in de woestijn. Dat idee is geleidelijk omarmd en dat leidde tot belangrijke verbreding van het onderzoek, ook bij STOWA.”

1980

1990

Jaren ’90

Erkenning van waarden van water

Annemieke Nijhof: “De jaren negentig waren de jaren van liberalisering en ‘naar de markt brengen’. Tauw kreeg in 1995 opdracht om onderzoek te doen naar de liberalisering van de drinkwatersector. De productie kon wellicht goedkoper en efficiënter via de markt. Onderzoek naar ervaringen in het buitenland liet echter zien dat bij privatisering de kwaliteit afneemt, lekkages toenemen en de consument niet goedkoper uit is. In het Verenigd Koninkrijk lekt zeker een kwart van al het drinkwater weg; dat is bedrijfseconomisch gunstiger dan goed onderhoud. Wij haalden ook de waarden van Vitruvius erbij, bekend uit de architectuur. Destijds was het vernieuwend om aspecten als beleving en duurzaamheid mee te wegen in een onderzoeksrapport. Ik heb het idee dat het unieke Nederlandse drinkwaterproductiesysteem toen voor de poorten van de hel is weggesleept.”

1993 | 1995

Overstromingen Maas, evacuatie Rivierenland

Annemieke Nijhof: “Ik woonde destijds in Deventer, mijn kelder stond ook blank. De dreigende overstromingen en evacuatie zijn echt een keerpunt geweest in het denken over ons watersysteem. Het leidde tot ‘Ruimte voor de Rivier’ en het denken in dubbele doelstellingen. ‘Ruimte voor de Rivier’ kwam vanuit de natuurbeweging en combineert veiligheid met meer natuur.”

Peter Glas: “Het duurde meer dan twintig jaar, maar de grote wateroverlast in ’93 en ’95 resulteerde in fundamenteel andere normen voor waterkeringen. Normen die zijn gebaseerd op risico’s, op de kans dat een dijk het begeeft en de gevolgen daarvan achter de dijken voor mensen en investeringen. Daarvoor is een hele kennisinfrastructuur opgebouwd, waar STOWA aan heeft bijgedragen. Het denken in dubbelfuncties is ook een belangrijk resultaat. In Nederland is het vechten om ruimte om alles te kunnen doen. Dat betekent keuzes maken én slim stapelen. Ik ben echt fan van de bloemrijke dijken, bijvoorbeeld.”

2000

Rond 2000

Van aanjager naar ‘bijbenen’

Herman Havekes: “Rond het millennium pakte STOWA voor het eerst onderzoeksvraagstukken over recht en bestuur op. Tot die tijd was Nederland een gidsland in Europa; nieuwe waterrichtlijnen werden probleemloos opgenomen in nationale wetten die de eisen vaak al omvatten. Dat stokte bij de introductie van de Europese Kaderrichtlijn Water. Van aanjager werden we een land met flinke uitvoeringsproblemen. Het schuurde, zeker nadat de Tweede Kamer de motie Van der Vlies aannam. Die eiste dat agrariërs geen pijn mochten ondervinden. Maar al eerder in ’94 oordeelde het Europese Hof dat waterschappen het begrip lozing te beperkt hadden uitgelegd in een zaak over oeverbeschoeiing waaruit schadelijke stoffen vrijkwamen. Vanaf 2000 verscheen een reeks STOWA-publicaties over Europees recht, zoals het Handboek EG-recht en de praktijk van het waterbeheer, de Europagids en het tijdschrift Water Governance. De juridische kant hoort er nu als vanzelfsprekend bij.”

2008-2011

Structureel rijksgeld voor waterveiligheid

Annemieke Nijhof: “Dit was een stille revolutie. Rijkswaterstaat voorzag een structureel tekort aan budget voor onderhoud van rivierdijken, maar ook van bruggen en sluizen. Het waren jaren waarin klimaatverandering volop aandacht kreeg. Staatssecretaris Tineke Huizinga drong stevig aan op verder vooruitkijken, en op een Deltacommissie. En dat tegen de trend in om minder commissies in te stellen. Het lukte haar de politiek te overtuigen en zo kwam er structureel geld voor waterveiligheid. Het blijkt te weinig, maar het is een revolutie.”

Herman Havekes: “In de jaren ’90 van de vorige eeuw luidden de waterschappen elk jaar de noodklok vanwege bezuinigingen op het budget voor rivierdijkherstel. We hoefden alleen het jaartal in de brief te veranderen. Ik denk dat de gebeurtenissen in ’93 en ’95 ook hielpen om uiteindelijk een structureel budget te realiseren. Zo kun je onafhankelijk opereren, weg van de waan van de dag in de politiek. En dat werkt; nergens is de veiligheid van dijken zo hoog als in Nederland.”

2010

Jaren ’10

Leren van het verleden

Herman Havekes: “De aandacht in Nederland voor geschiedenis en erfgoed is sterk gegroeid, ook bij de waterschappen en bij STOWA. Misschien door de vergrijzing, uit nostalgie of omdat we meer tijd hebben? Ik vind het in ieder geval een heel positieve ontwikkeling en ben zelf een enthousiaste amateur-waterhistoricus. STOWA heeft inmiddels een aantal prachtige publicaties uitgegeven over water­ge­­­­­schie­de­nis en erfgoed. Van de geschiedenis kun je veel opsteken, over oude zuiveringstechnieken bijvoorbeeld of over de sponswerking van landschappen. Maar misschien belangrijker: geschiedenis zet je ook altijd aan het denken over de toekomst.”

2020

Rond 2020

Grenzen aan de maakbaarheid

Annemieke Nijhof: “In coronatijd werkte Deltares aan een essay getiteld ‘Op waterbasis’. Het is gebaseerd op een aantal kaarten van Nederland die aangeven waar je het best kunt bouwen, landbouw kunt beoefenen of natuur ruimte kunt bieden, rekening houdend met de ondergrond en het watersysteem. Het essay was een eigen initiatief van Deltares-onderzoekers naar aanleiding van toenemende overstromingen langs rivieren. Maar ook van droogteperiodes die leiden tot bodemdaling in veenweiden, uitgedroogde dijken en funderingsschade. De ondertitel luidde ‘Grenzen aan de maakbaarheid’, wat veel discussie en ook weerstand opriep. Maar het was geen pleidooi voor het einde van de maakbaarheid; we zeiden: houd rekening met bodem en water wanneer je iets doet in een gebied. Het essay zorgde er mede voor dat het principe ‘water en bodem sturend’ voor het eerst in een regeerakkoord stond. Inmiddels is het een belangrijk uitgangspunt.”

Schok of voort­schrij­dend inzicht?

Vaak wordt beweerd dat er een ramp nodig is voor grote verandering, want: ‘onder druk wordt alles vloeibaar’. Denk aan de Watersnoodramp van 1953 en de bouw van de Deltawerken. Of aan de overstromingen in ‘93/’95 (zie tijdlijn) die leidden tot Ruimte voor de Rivier en nieuwe dijknormering. Ook het bezwijken van de dijk bij Wilnis in 2003 zorgde voor een schoksgewijze koersverandering: veel meer aandacht voor droogte-effecten. Peter Glas: “Zo’n onverwachte gebeurtenis schudt je wakker. Alle kennis wordt ingezet om te achterhalen hoe het kon gebeuren én hoe we herhaling voorkomen.”

Een schokkende gebeurtenis komt paradoxaal genoeg vaak voort uit ‘rust en kalmte’, denkt Glas. “Problemen in Nederland worden vaak efficiënt en effectief gefikst. Daarom gaan we ervan uit dat alles goed is geregeld en verslapt de aandacht voor mogelijke problemen. Juist dan ligt gevaar op de loer.”

Toch ziet Glas koerswijzigingen in onderzoek vooral geleidelijk ontstaan door voortschrijdend inzicht. Doordat onderzoekers feiten opduiken die volgens hen aandacht verdienen. “Zo’n pleidooi voor meer onderzoek komt niet altijd overeen met de prioriteiten van besturen. Het is dus belangrijk dat onderzoekers blijven aandringen, de knuppel in het hoenderhok durven gooien.”

Dat doet Glas zelf ook graag: “Ik ben even in de cijfers gedoken: twintig jaar geleden was het budget van STOWA 0,3 procent van dat van alle waterschappen samen en het ligt nog steeds in die orde. Is dat genoeg? Innoveren we genoeg om de complexe problemen die voor ons liggen op te lossen? Mijn gevoel zegt van niet.”

Annemieke Nijhof is algemeen directeur van Deltares, kennis­instituut voor toegepast onder­zoek op het gebied van water en ondergrond. Ze is van oorsprong chemisch ingenieur en werkte eerder onder andere bij advies­bureau Tauw en bij de rijks­over­heid als directeur-generaal Water en raadsadviseur van minister-president Balkenende.

Peter Glas is voormalig deltacommissaris, watergraaf van Waterschap De Dommel, Unievoorzitter en jarenlang onderzoeker bij WL Delft Hydraulics (nu Deltares). Hij studeerde biologie, wiskunde en recht. Glas is gepensioneerd, maar onder andere nog actief als ondervoorzitter van de Commissie voor Milieu­effect­rapportage

Herman Havekes is jurist en voormalig strategisch adviseur van de Unie van Water­schappen. Hij is emeritus hoog­leraar Publieke organisatie van het (decentraal) water­be­heer in Utrecht en voorzitter van de Vereniging voor Waterstaats­geschiedenis

Keerpunten en koerswijzigingen in wateronderzoek

Al meer dan dertig jaar presenteert STOWA ter Info kennis en innovaties die voortvloeien uit onderzoek van waterschappen, in samenwerking met provincies en andere partijen. We vroegen drie mensen met de nodige ‘waterbagage’ – Peter Glas, Annemieke Nijhof en Herman Havekes – om terug te blikken. Zagen ze belangrijke koerswijzigingen? Wat waren keerpunten?

1970

1993 | 1995

Overstromingen Maas, evacuatie Rivierenland

Annemieke Nijhof: “Ik woonde destijds in Deventer, mijn kelder stond ook blank. De dreigende overstromingen en evacuatie zijn echt een keerpunt geweest in het denken over ons watersysteem. Het leidde tot ‘Ruimte voor de Rivier’ en het denken in dubbele doelstellingen. ‘Ruimte voor de Rivier’ kwam vanuit de natuurbeweging en combineert veiligheid met meer natuur.”

Peter Glas: “Het duurde meer dan twintig jaar, maar de grote wateroverlast in ’93 en ’95 resulteerde in fundamenteel andere normen voor waterkeringen. Normen die zijn gebaseerd op risico’s, op de kans dat een dijk het begeeft en de gevolgen daarvan achter de dijken voor mensen en investeringen. Daarvoor is een hele kennisinfrastructuur opgebouwd, waar STOWA aan heeft bijgedragen. Het denken in dubbelfuncties is ook een belangrijk resultaat. In Nederland is het vechten om ruimte om alles te kunnen doen. Dat betekent keuzes maken én slim stapelen. Ik ben echt fan van de bloemrijke dijken, bijvoorbeeld.”

Jaren ’70-’80

Er is méér dan civiele techniek

Peter Glas: “In de jaren ’50 en ’60 lag de focus in wateronderzoek nog echt op dijken, sluizen en zuiveringen, op staal en beton. Het is moeilijk een precieze datum te hangen aan het besef dat wateronderzoek meer is dan civiele techniek. Dat niet alleen ingenieurs met water bezig moeten zijn. De Rijnvervuiling, het schuim op de Dommel en later de Sandozramp zorgden voor meer aandacht voor ecologie en natuur. In 1970 kwam ook de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor mij was het rapport van de Club van Rome in 1972 het keerpunt. Dat deed me als zestienjarige met grote interesse in water en bètavakken besluiten biologie te gaan studeren. Begin jaren ’80 kwam de term ‘integraal waterbeheer’ op. Ik had al vaak ‘alfa + bèta + gamma = delta’ geroepen; vanaf toen voelde ik me minder een roepende in de woestijn. Dat idee is geleidelijk omarmd en dat leidde tot belangrijke verbreding van het onderzoek, ook bij STOWA.”

1980

1990

Jaren ’90

Erkenning van waarden van water

Annemieke Nijhof: “De jaren negentig waren de jaren van liberalisering en ‘naar de markt brengen’. Tauw kreeg in 1995 opdracht om onderzoek te doen naar de liberalisering van de drinkwatersector. De productie kon wellicht goedkoper en efficiënter via de markt. Onderzoek naar ervaringen in het buitenland liet echter zien dat bij privatisering de kwaliteit afneemt, lekkages toenemen en de consument niet goedkoper uit is. In het Verenigd Koninkrijk lekt zeker een kwart van al het drinkwater weg; dat is bedrijfseconomisch gunstiger dan goed onderhoud. Wij haalden ook de waarden van Vitruvius erbij, bekend uit de architectuur. Destijds was het vernieuwend om aspecten als beleving en duurzaamheid mee te wegen in een onderzoeksrapport. Ik heb het idee dat het unieke Nederlandse drinkwaterproductiesysteem toen voor de poorten van de hel is weggesleept.”

2000

Rond 2000

Van aanjager naar ‘bijbenen’

Herman Havekes: “Rond het millennium pakte STOWA voor het eerst onderzoeksvraagstukken over recht en bestuur op. Tot die tijd was Nederland een gidsland in Europa; nieuwe waterrichtlijnen werden probleemloos opgenomen in nationale wetten die de eisen vaak al omvatten. Dat stokte bij de introductie van de Europese Kaderrichtlijn Water. Van aanjager werden we een land met flinke uitvoeringsproblemen. Het schuurde, zeker nadat de Tweede Kamer de motie Van der Vlies aannam. Die eiste dat agrariërs geen pijn mochten ondervinden. Maar al eerder in ’94 oordeelde het Europese Hof dat waterschappen het begrip lozing te beperkt hadden uitgelegd in een zaak over oeverbeschoeiing waaruit schadelijke stoffen vrijkwamen. Vanaf 2000 verscheen een reeks STOWA-publicaties over Europees recht, zoals het Handboek EG-recht en de praktijk van het waterbeheer, de Europagids en het tijdschrift Water Governance. De juridische kant hoort er nu als vanzelfsprekend bij.”

2010

2008-2011

Structureel rijksgeld voor waterveiligheid

Annemieke Nijhof: “Dit was een stille revolutie. Rijkswaterstaat voorzag een structureel tekort aan budget voor onderhoud van rivierdijken, maar ook van bruggen en sluizen. Het waren jaren waarin klimaatverandering volop aandacht kreeg. Staatssecretaris Tineke Huizinga drong stevig aan op verder vooruitkijken, en op een Deltacommissie. En dat tegen de trend in om minder commissies in te stellen. Het lukte haar de politiek te overtuigen en zo kwam er structureel geld voor waterveiligheid. Het blijkt te weinig, maar het is een revolutie.”

Herman Havekes: “In de jaren ’90 van de vorige eeuw luidden de waterschappen elk jaar de noodklok vanwege bezuinigingen op het budget voor rivierdijkherstel. We hoefden alleen het jaartal in de brief te veranderen. Ik denk dat de gebeurtenissen in ’93 en ’95 ook hielpen om uiteindelijk een structureel budget te realiseren. Zo kun je onafhankelijk opereren, weg van de waan van de dag in de politiek. En dat werkt; nergens is de veiligheid van dijken zo hoog als in Nederland.”

Jaren ’10

Leren van het verleden

Herman Havekes: “De aandacht in Nederland voor geschiedenis en erfgoed is sterk gegroeid, ook bij de waterschappen en bij STOWA. Misschien door de vergrijzing, uit nostalgie of omdat we meer tijd hebben? Ik vind het in ieder geval een heel positieve ontwikkeling en ben zelf een enthousiaste amateur-waterhistoricus. STOWA heeft inmiddels een aantal prachtige publicaties uitgegeven over water­ge­­­­­schie­de­nis en erfgoed. Van de geschiedenis kun je veel opsteken, over oude zuiveringstechnieken bijvoorbeeld of over de sponswerking van landschappen. Maar misschien belangrijker: geschiedenis zet je ook altijd aan het denken over de toekomst.”

2020

Rond 2020

Grenzen aan de maakbaarheid

Annemieke Nijhof: “In coronatijd werkte Deltares aan een essay getiteld ‘Op waterbasis’. Het is gebaseerd op een aantal kaarten van Nederland die aangeven waar je het best kunt bouwen, landbouw kunt beoefenen of natuur ruimte kunt bieden, rekening houdend met de ondergrond en het watersysteem. Het essay was een eigen initiatief van Deltares-onderzoekers naar aanleiding van toenemende overstromingen langs rivieren. Maar ook van droogteperiodes die leiden tot bodemdaling in veenweiden, uitgedroogde dijken en funderingsschade. De ondertitel luidde ‘Grenzen aan de maakbaarheid’, wat veel discussie en ook weerstand opriep. Maar het was geen pleidooi voor het einde van de maakbaarheid; we zeiden: houd rekening met bodem en water wanneer je iets doet in een gebied. Het essay zorgde er mede voor dat het principe ‘water en bodem sturend’ voor het eerst in een regeerakkoord stond. Inmiddels is het een belangrijk uitgangspunt.”

Schok of voort­schrij­dend inzicht?

Vaak wordt beweerd dat er een ramp nodig is voor grote verandering, want: ‘onder druk wordt alles vloeibaar’. Denk aan de Watersnoodramp van 1953 en de bouw van de Deltawerken. Of aan de overstromingen in ‘93/’95 (zie tijdlijn) die leidden tot Ruimte voor de Rivier en nieuwe dijknormering. Ook het bezwijken van de dijk bij Wilnis in 2003 zorgde voor een schoksgewijze koersverandering: veel meer aandacht voor droogte-effecten. Peter Glas: “Zo’n onverwachte gebeurtenis schudt je wakker. Alle kennis wordt ingezet om te achterhalen hoe het kon gebeuren én hoe we herhaling voorkomen.”

Een schokkende gebeurtenis komt paradoxaal genoeg vaak voort uit ‘rust en kalmte’, denkt Glas. “Problemen in Nederland worden vaak efficiënt en effectief gefikst. Daarom gaan we ervan uit dat alles goed is geregeld en verslapt de aandacht voor mogelijke problemen. Juist dan ligt gevaar op de loer.”

Toch ziet Glas koerswijzigingen in onderzoek vooral geleidelijk ontstaan door voortschrijdend inzicht. Doordat onderzoekers feiten opduiken die volgens hen aandacht verdienen. “Zo’n pleidooi voor meer onderzoek komt niet altijd overeen met de prioriteiten van besturen. Het is dus belangrijk dat onderzoekers blijven aandringen, de knuppel in het hoenderhok durven gooien.”

Dat doet Glas zelf ook graag: “Ik ben even in de cijfers gedoken: twintig jaar geleden was het budget van STOWA 0,3 procent van dat van alle waterschappen samen en het ligt nog steeds in die orde. Is dat genoeg? Innoveren we genoeg om de complexe problemen die voor ons liggen op te lossen? Mijn gevoel zegt van niet.”

Annemieke Nijhof is algemeen directeur van Deltares, kennis­instituut voor toegepast onder­zoek op het gebied van water en ondergrond. Ze is van oorsprong chemisch ingenieur en werkte eerder onder andere bij advies­bureau Tauw en bij de rijks­over­heid als directeur-generaal Water en raadsadviseur van minister-president Balkenende.

Peter Glas is voormalig deltacommissaris, watergraaf van Waterschap De Dommel, Unievoorzitter en jarenlang onderzoeker bij WL Delft Hydraulics (nu Deltares). Hij studeerde biologie, wiskunde en recht. Glas is gepensioneerd, maar onder andere nog actief als ondervoorzitter van de Commissie voor Milieu­effect­rapportage

Herman Havekes is jurist en voormalig strategisch adviseur van de Unie van Water­schappen. Hij is emeritus hoog­leraar Publieke organisatie van het (decentraal) water­be­heer in Utrecht en voorzitter van de Vereniging voor Waterstaats­geschiedenis

STOWA Publicaties

Hier vindt u de digitale uitgaven van STOWA waaronder het digitale magazine Ter Info.
Volledig scherm