Deze publicatie maakt gebruik van cookies

We gebruiken functionele en analytische cookies om onze website te verbeteren. Daarnaast plaatsen derde partijen tracking cookies om gepersonaliseerde advertenties op social media weer te geven. Door op accepteren te klikken gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.

‘Vergeten’ watersnood 1926:

De ramp die geen ramp mocht heten

Honderd jaar geleden overstroomden grote delen van Limburg, Brabant, Gelderland en Overijssel. Rivierdijken braken, polders veranderden in binnenzeeën. STOWA liet onderzoek doen naar deze ‘vergeten’ watersnood, een ramp die van minister-president Colijn geen ramp mocht heten. Het resulteerde in een boekje vol geschiedenis en met lessen voor nu. Want ook nu kunnen rivierdijken bezwijken bij extreem hoog water, al is die kans erg klein. “Dat idee zijn veel Nederlanders kwijt”, aldus auteur Moniek Löffler.

Het is geen bekende watersnood, die van 1926. Toch ontvluchtten destijds duizenden mensen in allerijl hun huizen en boerderijen. Op meerdere plekken langs Maas, Waal en IJssel bezweken dijken in de eerste dagen van het nieuwe jaar. Polders liepen vol en dorpen raakten wekenlang geïsoleerd. Op enkele plekken werden in de volgende dagen dijken door de genie opgeblazen om het water weer te laten dalen in polders, maar dat zorgde elders soms voor extra wateroverlast.

Wonder boven wonder verdronk er niemand, maar overal dreven dode koeien, paarden, varkens en kippen. Na de vele regen zette strenge vorst in wat de hulpverlening verder bemoeilijkte. En toen het water begon te zakken, bezweken nog meer muren en (fruit)bomen door aanhangend ijs.

De oorzaak van de overstromingen was extreem hoog water. Via de Rijn stroomde eind 1925 bij Lobith circa 12.600 m3per seconde het land in; via de Maas 3.000. Beide waarden behoren tot de hoogste ooit gemeten. De watermassa ontstond door heftige neerslag in Europa na een eerdere periode met veel sneeuwval. Omdat in België, Duitsland en ook in Nederland zelf rivieren steeds meer rechtgetrokken waren voor scheepvaart stroomden neerslag en gesmolten sneeuw rap richting zee.

Het was extreem hoog water, maar ook nu niet ondenkbaar. Nederland moet volgens zijn eigen veiligheidsnormen inmiddels voorbereid zijn op nog hogere afvoeren. Want de kans op extremen neemt toe door klimaatverandering.

Geen nationale steun

Destijds werd de schade geraamd op circa tien miljoen gulden. Dat klinkt bescheiden, maar vertegenwoordigt een bedrag van zo’n honderd miljoen euro in 2026. In het dichtbebouwde Nederland van nu zou een vergelijkbare overstroming overigens veel meer schade veroorzaken, naar schatting zeker 14,5 miljard euro.

Ondanks de enorme overstromingen erkende de regering Colijn de situatie niet als nationale ramp. De minister-president stelde dat overstromingen in het rivierengebied ‘nu eenmaal voorkomen’. Hij plaatste ze in een reeks met bijvoorbeeld 1855 en 1861, jaren waarin ook meerdere dijkdoorbraken plaatsvonden door hoogwater.

Slachtoffers waren voor steun vooral aangewezen op lokale en particuliere hulpacties. De bevolking voelde zich in de steek gelaten, ook al kwam er eind 1926 alsnog een regeling voor de duizend gedupeerde huiseigenaren in het Land van Maas en Waal. De helft van een nieuwe woning of boerderij werd vergoed, de andere helft werd via een lening verstrekt.

Lokaal niet vergeten

Moniek Löffler, fysisch geograaf en eigenaar van Bureau Landwijzer, schreef in opdracht van STOWA een boekje over de ‘vergeten’ watersnood van 1926. Het beschrijft de rampzalige reeks van dijkdoorbraken en overstromingen. Ze gebruikte historische bronnen en kaarten en zocht ook naar (persoonlijke) verhalen van toen. “De ramp is goed gedocumenteerd”, zegt Löffler. “Je vindt foto’s en verhalen in veel regionale en landelijke krantenarchieven.” Lokaal is de enorme impact van ‘1926’ overigens zeker nog niet vergeten. De kerk in Overasselt zat bomvol bij een herdenking honderd jaar later. Veel van de aanwezigen kenden de verhalen uit overleveringen, vaak van ouders of grootouders.

Te duur

Löffler onderzocht ook hoe bestuurders destijds met de ramp omgingen. Zo stond de dijk bij Overasselt die als een van de eerste brak destijds bekend als zwak. Rijkswaterstaat drong aan op dijkverhoging, maar het Rijk van Nijmegen -destijds verantwoordelijk voor de dijk- vond dat te duur en vroeg rijk en provincie om een bijdrage. Een verzoek dat tien dagen voor de doorbraak werd afgewezen. Het Land van Maas en Waal liep als een badkuip vol.

Het boekje is nadrukkelijk bedoeld als een spiegel naar het heden. Na een beschrijving van de gebeurtenissen in 1926 per regio volgt een overzicht van de situatie nu. Die is heel anders. Er kwamen landelijk verplichte veiligheidsnormen voor dijken. En projecten als Ruimte voor de Rivier brachten extra bergingsmogelijkheden en hebben het rivierengebied ingrijpend veranderd.

Ook bestuurlijk is er veel veranderd. De honderden polderdistricten uit begin 20ste eeuw met botsende belangen zijn opgegaan in 21 waterschappen met vastgelegde verantwoordelijkheden. De Unie van Waterschappen zorgt voor afstemming van gezamenlijk beleid. Ook zijn er 25 veiligheidsregio’s, vaste samenwerkingsverbanden van brandweer, politie, ambulance en gemeenten met heldere taken en verantwoordelijkheden bij rampsituaties.

Ongemakkelijke waarheid

Toch zijn er nu veel (tijdloze) lessen te trekken uit 1926. Onder andere dat waterveiligheid een samenhangend systeem is; elke ingreep heeft consequenties elders. En ook anno 2026 geldt nog altijd dat bij extreme situaties niet alles te beschermen is. Dat is een ongemakkelijke waarheid: waterveiligheid draait bij extremen niet alleen om bescherming, maar ook om het verdelen van schade.

Juist daarom valt of staat waterveiligheid met goede samenwerking tussen overheden, uitvoerders en de samenleving. “Zonder dat ‘cement’ wordt elke crisis zwaarder”, schrijft Löffler. En waterveiligheid vraagt naast techniek en organisatie, om voortdurende aandacht voor hoe we ons land gebruiken en inrichten.

Maar Löffler wijst ook op onze ‘ontwenning’ van watersnood. Eeuwenlang hoorden overstromingen erbij. Bewoners langs de rivieren wisten waar de hoge plekken waren en wat ze te doen stond om lijf en have te redden in geval van nood. Menigeen had een boot klaarliggen. “Dat idee zijn we kwijt”, zegt Löffler. “We hebben alle vertrouwen in onze dijken. Die zijn ook veel veiliger. En we hebben alle draaiboeken klaarliggen voor noodsituaties. Maar als het misgaat, volgt onontkoombaar een periode van chaos. Plekken worden onbereikbaar, er is geen stroom.” Voorbereid zijn draait dus ook nu om zelfredzaamheid. Niet als vervanging van overheidszorg, maar als aanvulling daarop.

‘Vergeten’ watersnood 1926:

De ramp die geen ramp mocht heten

Honderd jaar geleden overstroomden grote delen van Limburg, Brabant, Gelderland en Overijssel. Rivierdijken braken, polders veranderden in binnenzeeën. STOWA liet onderzoek doen naar deze ‘vergeten’ watersnood, een ramp die van minister-president Colijn geen ramp mocht heten. Het resulteerde in een boekje vol geschiedenis en met lessen voor nu. Want ook nu kunnen rivierdijken bezwijken bij extreem hoog water, al is die kans erg klein. “Dat idee zijn veel Nederlanders kwijt”, aldus auteur Moniek Löffler.

Het is geen bekende watersnood, die van 1926. Toch ontvluchtten destijds duizenden mensen in allerijl hun huizen en boerderijen. Op meerdere plekken langs Maas, Waal en IJssel bezweken dijken in de eerste dagen van het nieuwe jaar. Polders liepen vol en dorpen raakten wekenlang geïsoleerd. Op enkele plekken werden in de volgende dagen dijken door de genie opgeblazen om het water weer te laten dalen in polders, maar dat zorgde elders soms voor extra wateroverlast.

Wonder boven wonder verdronk er niemand, maar overal dreven dode koeien, paarden, varkens en kippen. Na de vele regen zette strenge vorst in wat de hulpverlening verder bemoeilijkte. En toen het water begon te zakken, bezweken nog meer muren en (fruit)bomen door aanhangend ijs.

De oorzaak van de overstromingen was extreem hoog water. Via de Rijn stroomde eind 1925 bij Lobith circa 12.600 m3per seconde het land in; via de Maas 3.000. Beide waarden behoren tot de hoogste ooit gemeten. De watermassa ontstond door heftige neerslag in Europa na een eerdere periode met veel sneeuwval. Omdat in België, Duitsland en ook in Nederland zelf rivieren steeds meer rechtgetrokken waren voor scheepvaart stroomden neerslag en gesmolten sneeuw rap richting zee.

Het was extreem hoog water, maar ook nu niet ondenkbaar. Nederland moet volgens zijn eigen veiligheidsnormen inmiddels voorbereid zijn op nog hogere afvoeren. Want de kans op extremen neemt toe door klimaatverandering.

Geen nationale steun

Destijds werd de schade geraamd op circa tien miljoen gulden. Dat klinkt bescheiden, maar vertegenwoordigt een bedrag van zo’n honderd miljoen euro in 2026. In het dichtbebouwde Nederland van nu zou een vergelijkbare overstroming overigens veel meer schade veroorzaken, naar schatting zeker 14,5 miljard euro.

Ondanks de enorme overstromingen erkende de regering Colijn de situatie niet als nationale ramp. De minister-president stelde dat overstromingen in het rivierengebied ‘nu eenmaal voorkomen’. Hij plaatste ze in een reeks met bijvoorbeeld 1855 en 1861, jaren waarin ook meerdere dijkdoorbraken plaatsvonden door hoogwater.

Slachtoffers waren voor steun vooral aangewezen op lokale en particuliere hulpacties. De bevolking voelde zich in de steek gelaten, ook al kwam er eind 1926 alsnog een regeling voor de duizend gedupeerde huiseigenaren in het Land van Maas en Waal. De helft van een nieuwe woning of boerderij werd vergoed, de andere helft werd via een lening verstrekt.

Lokaal niet vergeten

Moniek Löffler, fysisch geograaf en eigenaar van Bureau Landwijzer, schreef in opdracht van STOWA een boekje over de ‘vergeten’ watersnood van 1926. Het beschrijft de rampzalige reeks van dijkdoorbraken en overstromingen. Ze gebruikte historische bronnen en kaarten en zocht ook naar (persoonlijke) verhalen van toen. “De ramp is goed gedocumenteerd”, zegt Löffler. “Je vindt foto’s en verhalen in veel regionale en landelijke krantenarchieven.” Lokaal is de enorme impact van ‘1926’ overigens zeker nog niet vergeten. De kerk in Overasselt zat bomvol bij een herdenking honderd jaar later. Veel van de aanwezigen kenden de verhalen uit overleveringen, vaak van ouders of grootouders.

Te duur

Löffler onderzocht ook hoe bestuurders destijds met de ramp omgingen. Zo stond de dijk bij Overasselt die als een van de eerste brak destijds bekend als zwak. Rijkswaterstaat drong aan op dijkverhoging, maar het Rijk van Nijmegen -destijds verantwoordelijk voor de dijk- vond dat te duur en vroeg rijk en provincie om een bijdrage. Een verzoek dat tien dagen voor de doorbraak werd afgewezen. Het Land van Maas en Waal liep als een badkuip vol.

Het boekje is nadrukkelijk bedoeld als een spiegel naar het heden. Na een beschrijving van de gebeurtenissen in 1926 per regio volgt een overzicht van de situatie nu. Die is heel anders. Er kwamen landelijk verplichte veiligheidsnormen voor dijken. En projecten als Ruimte voor de Rivier brachten extra bergingsmogelijkheden en hebben het rivierengebied ingrijpend veranderd.

Ook bestuurlijk is er veel veranderd. De honderden polderdistricten uit begin 20ste eeuw met botsende belangen zijn opgegaan in 21 waterschappen met vastgelegde verantwoordelijkheden. De Unie van Waterschappen zorgt voor afstemming van gezamenlijk beleid. Ook zijn er 25 veiligheidsregio’s, vaste samenwerkingsverbanden van brandweer, politie, ambulance en gemeenten met heldere taken en verantwoordelijkheden bij rampsituaties.

Ongemakkelijke waarheid

Toch zijn er nu veel (tijdloze) lessen te trekken uit 1926. Onder andere dat waterveiligheid een samenhangend systeem is; elke ingreep heeft consequenties elders. En ook anno 2026 geldt nog altijd dat bij extreme situaties niet alles te beschermen is. Dat is een ongemakkelijke waarheid: waterveiligheid draait bij extremen niet alleen om bescherming, maar ook om het verdelen van schade.

Juist daarom valt of staat waterveiligheid met goede samenwerking tussen overheden, uitvoerders en de samenleving. “Zonder dat ‘cement’ wordt elke crisis zwaarder”, schrijft Löffler. En waterveiligheid vraagt naast techniek en organisatie, om voortdurende aandacht voor hoe we ons land gebruiken en inrichten.

Maar Löffler wijst ook op onze ‘ontwenning’ van watersnood. Eeuwenlang hoorden overstromingen erbij. Bewoners langs de rivieren wisten waar de hoge plekken waren en wat ze te doen stond om lijf en have te redden in geval van nood. Menigeen had een boot klaarliggen. “Dat idee zijn we kwijt”, zegt Löffler. “We hebben alle vertrouwen in onze dijken. Die zijn ook veel veiliger. En we hebben alle draaiboeken klaarliggen voor noodsituaties. Maar als het misgaat, volgt onontkoombaar een periode van chaos. Plekken worden onbereikbaar, er is geen stroom.” Voorbereid zijn draait dus ook nu om zelfredzaamheid. Niet als vervanging van overheidszorg, maar als aanvulling daarop.

STOWA Publicaties

Hier vindt u de digitale uitgaven van STOWA waaronder het digitale magazine Ter Info.
Volledig scherm